Duivelszaad (deel 1): De reiziger en de jager

Het land Malvinor is droog en grotendeels bedekt met rotslanden en woestijnen. Maar in het noorden, waar de breed meanderende Daryn de grens met het elfenrijk afbakende, liggen uitgestrekte wouden. De vreemdeling heeft z’n kamp gemaakt in een open plekje van het woud, op een heuvel met uitzicht op een brede bocht van de gigantische rivier.

Vlakbij de delta is de Daryn tientallen meter breed. De man tuurt over het donkere, glinsterende water, waarin zich de tweelingmaan spiegelt, en kauwt op een stuk gedroogd vlees. Hij draagt een zwaard, maar de onhandigheid waarmee hij het wapen langs zich houdt, verraad dat hij geen strijder is. Hij grijpt het echter stevig vast en draaide zich instinctief met z’n rug naar de rivier, wanneer het breken van enkele droge takken doet opschrikken.

De naderende bezoeker doet geen poging zijn komst te verhullen, en heeft ofwel niets kwaads in zin of is heel zelfzeker. In beide heeft verzet weinig zin. De man die uit het bos tevoorschijn komt, is lang en slank, met een blanke huid die eigen is aan de mengrassen langs de grens met het elfenrijk. Hij houdt zijn handen omhoog om te laten zien dat hij ongewapend is, al hangt er een jachtboog kruiselings over zijn rug.

“Vrede”’.

De stem van de jager is rustig, maar vastberaden, zoals zijn hele lichaamshouding uitstraalt.

“Ben ik welkom?”

De vreemdeling knikt en laat z’n zwaard zakken. Glimlachend knielt de jager neer op de hem aangeboden plaats naast het vuur.

“Een ongepast uur om gezelschap op te zoeken, heer. U zou wel als een bandiet kunnen worden beschouwd.”

“Mijn verontschuldigingen. Ik was op zoek naar een overnachtingsplek toen ik uw vuur zag branden. Een man die alleen door de Darynsche Wouden reist heeft zelden slechte bedoelingen.”

“Dat geldt dus ook voor u?”

De jager knikte. “Arlin.”

“Kilnor.”

“Een goed jacht gehad?”

De jager glimlachte. “Ik had het geluk het pad van enkele hazen te kruisen. Zij hadden pech mij op het hunne te ontmoeten. Gunt u mij de eer met u deze maaltijd te delen?”

Arlin kende de gebruiken van het grensgebied en knikte. Hij diepte een fles wijn uit z’n ransel op en stak ze omhoog. “Ik vrees dat ik enkel een kruik zure Marodische wijn bij me heb.”

“Meer dan genoeg”, glimlachte de jager terwijl hij één van z’n hazen begon te villen. “Ik heb al lang geen wijn meer gehad.”

De reiziger schonk twee bekers wijn uit, terwijl de jager verder ging met z’n werk en de haas bedreven van z’n huid en spieren ontdeed.

“Arlin is een Noordse naam, maar toch heeft u het uiterlijk van een zuiderling.”

“Mijn grootmoeder was een avontuurlijke vrouw die haar hart liet veroveren door een Malvinoriaanse soldaat tijdens de moeilijke jaren na de Vergeldingsoorlogen.”

De jager knikte, terwijl hij z’n beker tegen die van de reiziger sloeg. “Zoals zovele liefdesverhalen ging dat mis. U weet ongetwijfeld dat de Malvinorianen sinds de oorlogen in het noorden niet erg geliefd zijn.”

“Bracht uw zoektocht naar de wortels van uw oorsprong u naar Malvinor?”
De reiziger fronste en zweeg. Hij tuurde over de rivier, naar een voor de jager onzichtbaar punt, en nipte even aan z’n wijn.
“Neemt u me niet kwalijk, maar u ziet ‘r eerder als een man van het woord, dan als een strijder uit”, drong de jager aan.
“Ik ben slecht in het verbergen van mijn ware bedoelingen, vrees ik. Al ben ik niet op zoek naar de oorsprong van mijn zuiderse bloed.”
Hij bleef voor zicht uit staren en vulde z’n beker opnieuw aan, waarna hij de kruik aan de jager gaf. Die nam ‘m aan, maar zweeg, wachtend op ’t verhaal van de reiziger.
“Ik ben kroniekeur. Schrijver aan het hof van de Elfenraad. Geen slechte, maar ook geen bijzonder goede. De gave is zaken te verbloemen is mijn bezit, maar niet de kunde om te verzwijgen wat men niet horen wil. De Raad heeft dan ook besloten me naar het zuiden te sturen, met de opdracht Malvinor te bereizen en te beschrijven.”
“Ik wist niet dat de elfen interesse hadden voor de dagelijkse beslommeringen in het mensenrijk.”
De jager had ‘r meteen spijt van dat hij de man had onderbroken.
“Vergis je niet”, antwoordde de reiziger zonder verpinken. “De elfen vinden wereldse zaken misschien wel beneden hun waardigheid, ze hebben er wel aandacht voor. Daarom laten ze die ook over aan menselijke dienaren.”
De reiziger zag dat de jager op keek, maar ‘m de volgende vraag, die ongetwijfeld op z’n lippen brandde, niet durfde te stellen. Misschien had de man enkel interesse in een praatje, misschien was hij oprecht geïnteresseerd of – de minst aangename mogelijkheid – fungeerde hij als spion van het Malvinoriaanse Hof. En dan moest hij voorzichtig zijn.
“Volstaat de jacht hier om in je levensbehoeften te voldoen?”
De jager spietste de gevilde haas en begon ‘m boven het vuur te roosteren. Het overdag zo luidruchtige woud was tot rust gekomen, waardoor het knisperen van het vuur het enige geluid was dat samen met hun beider stemmen de stilte van de nacht doorbrak.
“Het woud is rijk. Het schenkt ons alles wat we nodig hebben.”
“Ons? Je hebt een gezin?”
“Vrouw en twee kinderen.”
De stem van de jager had een sombere ondertoon gekregen. Arlin voelde dat hij een pijnlijk onderwerp had aangeraakt en zweeg. De twee mannen tuurden in het vuur. De haas, die door de jager langzaam werd rond gedraaid, werd langzaam bruin en vet begon in de vlammen te druipen. Uiteindelijk was het de jager zelf die de stilte doorbrak.
“Met ons doelde ik eigenlijk op de bevolking in de dorpen aan de rand van het woud. Het in balans met de natuur leven is ons van kindsbeen bijgebracht.”
“In Elvinar wordt verteld dat de woudbewoners aan afgoderij doen.”
“Wat bedoelen ze daarmee?”
“Dat jullie van de Moeder een godin hebben gemaakt, en naast haar andere goden hebben gecreëerd. Ik vermoed dat jullie Keizerin dat niet erg waardeert.”
“De hoofdstad is ver.”
De jager hief de haas even omhoog toen een opschietende vlam zich om ’t dier heen kronkelde. “Zolang we onze belasting afdragen, heeft ze geen reden om ons niet te waarderen, denk ik. Het woud geeft ons voedsel, maar is ook gevaarlijk. Je hoort ‘r respect voor te hebben. Dat weten de elfen ook.”
Arlin knikte. “Maar ze houden niet van goden.”
“’Onze goden doen hen niks.”
De jager hief de gebraden haas, glimmend met vleesvocht, uit het vuur en bood ‘m aan de reiziger. “Hier. Neem. Een geschenk van de woudgoden.”
Beide mannen lachten. Ze verdeelden het vlees, aten en dronken zwijgend, terwijl het donkere woud hen omsloot.

De volgende ochtend werd de reiziger gewekt door de warmte van de zon. Hij vloekte. Snel gooide hij z’n deken van zich af en sprong overeind, de droogte in z’n mond negerend. Van de jager was geen spoor, al zag Arlin wel z’n boog, tas en mantel tegen de boom naast hem liggen. Hij gromde en liep naar de heuvelrand, waar hij een goed zicht had op het landschap. In het daglicht had de rivier en het woud veel van z’n mysterieuze aantrekkingskracht verloren, maar in plaats daarvan was een andere schoonheid gekomen. Rivier, lucht en woud vormden nu een contrasterend palet van diverse soorten blauw, wit, groen en bruin, nog extra beklemtoond door het zonlicht en de schaduw van de schaarse wolken die er doorheen gleden. Hij glimlachte toen hij de jager opmerkte, die uit het heldere rivierwater oprees. De man was poedelnaakt en schudde het water uit z’n haren en van z’n lichaam toen hij de rivierkant was opgeklauterd. Arlin keerde zich niet af en bleef kijken, de slaap uit z’n ogen wrijvend, terwijl de jager, z’n gebronsde, gespierde lijf koesterend in het warme zonlicht, naderbij kwam.
“Ga jij je niet wassen? Het water is heerlijk.”
De jager grijnsde, het laatste, nog niet verdampte water druppels vormend op z’n huid. De man schaamde zich niet, ten volle bewust van de sensuele kracht z’n lichaam. Op z’n opbollende borst en strakke onderbuik groeiden zachte donzige haartjes, even donker als z’n zwarte hoofdhaar. Z’n lichaamsbeharing, de stoppels op z’n wangen en kin beklemtoonden z’n mannelijkheid, die dan nog eens bekroond werd met een magnifieke slanke lul, met daaronder, bungelend, een paar grote, laag hangende ballen. De man glimlachte toen hij merkte dat de blik van de reiziger naar z’n onderbuik was afgegleden. Hij wist dat mannen altijd de omvang van elkaars lid vergeleken, alsof die de machtsverhoudingen tussen elkaar weergaf. Maar hij zag niet enkel afgunst of jaloezie en liet zich de blik wel gevallen en maakte geen enkele opmerking.
“Nee”, antwoordde de reiziger tenslotte, met licht hese stem. “Het is al laat. Ik wil zo snel mogelijk zuidwaarts.”
“Naar de hoofdstad?”
De reiziger knikte. “Elke dag is kostbaar.”
De jager begon z’n kleren bij elkaar te zoeken, het magische moment gebroken. Een dag meer of minder op een wekenlange reis maakte weinig uit. Hij wist dat de reiziger niet de waarheid sprak, maar dat maakte niets uit. Er was tijd genoeg.
“Reizen in gezelschap is aangenamer.”
De reiziger gromde en begon de resten van ’t vuur uit te trappen.
“Ga je zuidwaarts? Richting Keizerlijke Weg?”
“Ik ga waar het woud me brengt.”
De jager knoopte z’n broek dicht en wreef z’n hemd recht. “Klaverdal ligt op zes dagen wandelafstand, als je de weg kent.”
“Hoeveel?”
De jager haalde z’n schouders op. “Wat je missen kan. Ik ben al eeuwen niet meer in de stad geweest.”
“En je gezin?”
“Die redden zich wel. ’t Is niet dat ik nooit weken van huis ben.”
De reiziger gromde weer iets wat op een instemming leek. Hij keek de jager niet aan. “Goed.”

De jager kende de snelste sluipwegen door de wouden, maar toch koos hij geregeld voor een makkelijker, zij ’t trager pad. Hij wist vrij zeker dat de reiziger niet doorzag dat hij ‘m via kleine omwegen dichter naar Klaverdal bracht. Ze spraken niet veel, de jager sowieso al een man van weinig woorden, zich meer in z’n element voelend in het bos dan tussen de mensen. ‘ s Avonds installeerden ze zich op een tegen wind en regen beschutte open plek in het woud. In het noorden was het in de lente nog behoorlijk fris en dus legde de reiziger een vuur aan, terwijl de jager voor hen wat wortels ging verzamelen voor bij hun tweede haas. De reiziger had nog een stuk harde kaas, waardoor ze van een waar feestmaal konden genieten.
Toen de jager met z’n oogst uit het woud tevoorschijn kwam, had Arlin zich al aan een zacht knisperend vuur geïnstalleerd en probeerde hij voor de nacht helemaal inviel nog enkele woorden op papier te zetten.
“Wat schrijf je?”
Arlin bespeurde een oprecht geïnteresseerde blik toen hij naar de jager opkeek. “De gebeurtenissen van de dag.”
“Dat kunnen er niet veel zijn.”
“De herten die ons deze ochtend stonden aan te kijken, de resten van de boshut en offerplaats voorbij de kreek enkele uren later, de kennismaking met de verborgen maar wonderbaarlijk goed onderhouden woudpaden…”
“Je hebt een opmerkzame blik.”
“Een verplichting, als kroniekschrijver.”
Het tweetal zweeg. De jager begon de haas te villen, waardoor het beeld van de vorige avond zich herhaalde. De reiziger nam de wortelen en probeerde ze schoon te maken.
“Enkel de schors afschrapen. En alles wat boven de grond stak wassen. Het loof is erg lekker.”
De reiziger knikte. “Ben jij ooit al in de hoofdstad geweest?”
“Eén keer. Toen ik kind was. Ik heb er geen goeie herinneringen aan overgehouden.”
“Uhu.”
“Het bos is mijn thuis. Ik ben hier geboren en wil hier dood gaan. Men noemt een woud gevaarlijk, maar vertel me, enig idee hoeveel gevaren in de stad om de hoek loeren?”
Arlin grinnikte en beet in één van de wortelen. Hij vloekte.
De jager lachte. “Hard hé?”
De reiziger bromde. “Driebladswortel is zowat het voedzaamste wat je in het woud kan vinden als zich geen beest laat vangen. Maar niks voor mensen met zwakke tanden. Al kan je ‘m ook stoven, schijnt ‘t.”
Hij keek opzij en ving de blik van de reiziger op. “Ik heb ze liever hard.”
Arlin bromde even, maar zei niks, terwijl hij de wortel tussen z’n tanden vermaalde. Nadat beide mannen hun blik van elkaar hadden afgekeerd, bleef de stilte even hangen, enkel doorbroken door het scheuren van de huid die de jager van de haas aftrok, het knisperen van het brandende hout en het ruizen van de bomen. In de late namiddag was een briesje opgestoken, die in kracht toenam en de reiziger even deed rillen.
“Wil je naar de hoofdstad?”
De reiziger knikte. “Het is de wens van de Raad dat ik verslag breng van het leven in de hoofdstad en aan het hof.”
“Daarvoor zal je een audiëntie moeten vragen.”
“Daar ben ik me van bewust.”
Weer viel een stilte. De mannen schoven dichter naar het vuur en wisselden voedsel uit. De kruik wijn ging een paar keer heen en weer, terwijl ze zichtbaar genoten van hun geïmproviseerde maaltijd. De jager veegde met de rug van z’n hand z’n lippen af een keek de reiziger aan.
“Je kent de reputatie van de keizerin?”
“Keizerin Hilda schijnt een bijzondere persoonlijkheid te hebben.”
De jager lachte. “Je hoeft geen schrik te hebben. Ze of haar spionnen zullen je hier niet horen. Onze keizerin heeft bijzondere vermogens, maar gelukkig is het horen van de fluisteringen van haar onderdanen daar nog niet bij, hoezeer ze haar best ook doet.”
“Regeren vraagt drastische middelen. Malvinor is al decennia rustig.”
De jager keek opzij. “Je hebt echt eerbied voor haar, hé?”
Arlin knikte, waarop de jager een beentje in het vuur spuwde. “Misschien heb je wel gelijk. Ze heeft Malvinor wel groot gemaakt en de rust terug gebracht. Maar geloof me, blijf weg van haar. De verhalen…”
“Verhalen?”
De jager zweeg even en tuurde in de vlammen. “Je kent de verhalen over haar niet?”
“Verhalen of mythes?”
“Hmh… ik weet niet. Je kan gelijk hebben. Als ze kloppen dan is ze niet menselijk en dat is best ongeloofwaardig. Maar toch…”
Voor ’t eerst sinds hun ontmoeting lachte Arlin. “Vertel ’t me.”
“Men zegt dat ze nooit getrouwd is omdat ze de kracht uit een man zuigt.”
De reiziger fronste. “Je bedoelt?”
“Er wordt verteld dat elke man die ’t bed met ‘r deelt een stukje van z’n kracht aan haar verliest.”
“Een succubus? Kom nou?!”
“Het is een vaststaand feit dat mannelijke bedienden nooit lang bij haar in dienst blijven. En haar lijfwacht bestaat uitsluitend uit vrouwen. En ze is nooit getrouwd.”
“Omdat mannen met hun zaad ook een stukje van het levenskracht zouden schenken?”
“Heb je dat verhaal echt nooit gehoord?”
“En ik dacht nog een goed oor te hebben voor mythes.”
“Kijk maar uit als je ooit aan ’t hof bent. Voor je ’t weet heeft ze je leeggezogen.”
De twee mannen mannen lachten. Hun lacht verstomde, genânt abrupt, toen elkaars blikken elkaar kruisten. De reiziger stond meteen op en klopte onzichtbaar stof van z’n kleren.
“Goed. Ik wil dit keer vroeg vertrekken.”
“Te rusten.”
“Rusten…”

De jager bleef nog aan ’t vuur zitten, afwezig starend naar de fonkelend sterrenhemel. De schaarse wolken waren helemaal verdwenen. Het zou een frisse nacht worden. Hij glimlachte en keek schalks naar de reiziger, die zich naast ’t vuur in z’n deken wentelde. Hoewel de mythe over de seksuele appetijt van de Malvinoriaanse keizerin ‘m – tot z’n ergernis – had opgewonden, had hij ’t fris. Hij concentreerde zich op ’t beeld van een slanke, welgevormde zwartharige vrouw, gehuld in niets meer dan een doorschijnende jurk. Ze schreed door een overvolle troonzaal en liet zich de wellustige blikken van de mannen en de jaloerse van de vrouwen weg gevallen. De jurk was zo dun dat ze even goed naakt door de zaal had kunnen stappen. Enkelen sloegen hun ogen neer toen ze vlakbij hen was, of knielde, hun hoofd gebogen voor hun fabelachtig mooie vorstin. Ze glimlachte toen een jonge, blonde ridder, nauwelijks twintig, haar echter schaamteloos bleef aankijken. Zo jong, zo zelfzeker, zo naïef… Ze strekte haar hand naar ‘m uit, voor de ogen van alle toeschouwers en fluisterde: “Kom…” Waarop het volk uiteen week en de jonge ridder als betoverd naar z’n keizerin toe gleed en zij de hand nam van haar partner voor deze nacht. Terwijl ze hem naar ‘r vertrekken leidde, werd het beeld waziger. De reiziger zag zichzelf ineens in de blonde ridder, wiens lichaam en haarkleur veranderde en voelde de warme hand van de keizerin om z’n eigen geslacht. Geschrokken schoot hij wakker. Meteen hoorde hij een koesterende, sussende stem tegen z’n oor. Een diepe, mannelijke stem.
“Je sliep onrustig, gekweld door de kou. Ik hoop dat je ’t me niet kwalijk neemt dat ik je wilde warmen?”
De jager lag tegen z’n rug aangedrukt en had z’n hand in Arlins broek geschoven. Langzaam liet hij het stijve lid van de reiziger door z’n handpalm glijden, terwijl hij z’n eigen kruis tegen diens kont duwde. Arlin kreunde zachtjes, maar verroerde zich niet. Hij voelde hoe de jager z’n lippen in z’n hals drukte en de greep om z’n harde lul verstrakte. Z’n spieren spanden zich op terwijl z’n ademhaling versnelde. Voorzichtig wreef hij z’n kont tegen het harde geslacht van de jager aan.
“Je hebt een lekkere lul”, fluisterde de jager in z’n oor, terwijl de ervaren hand beheerst over z’n harde paal gleed. Z’n vingertoppen, vochtig met wat speeksel moest zijn, gleden over en langs z’n besneden eikel. De man schoof zich onder het dikke laken dichter tegen ‘m aan. Hij wist dat de jager hem aan het droogneuken was, de warmte en hardheid van z’n pik door z’n kleren voelend, maar hij deed niks. Z’n ene hand greep in de aarde, terwijl de andere naar de arm van de jager gleed en daar bleef rusten. De jager hijgde steeds harder tegen z’n oor, crescendo met ’t ritme waarmee hij Arlin aftrok. Z’n hand gleed ineens naar z’n ballen.
“Je krijgt vast niet vaak de kans te neuken, als je alleen reist?”
De reiziger zuchtte een bevestiging.
“Volgens mij zitten je ballen vol. Dat is niet goed.”
Arlin kreunde.
“Je moet meer neuken. Of je aftrekken. Volle ballen zijn niet goed… ik help je.”
De hand gleed weer naar z’n kloppende, keiharde pik. De jager stootte zich nu tegen z’n onderrug aan, het deken van hun beide, aangeklede lichamen af. Arlin zag hoe de hitte van hen af dampte in de koude nacht. Hij kreunde toen de hand om z’n pik ‘m weer bedreven aftrok en hij z’n ballen voelde samentrekken. Tevergeefs onderdrukte hij een schreeuw toen hij klaarkwam en krachtige golven sperma over de hand en z’n eigen onderbuik uitstortte. Tegelijk voelde hij een vochtige warmte tegen z’n eigen onderrug, terwijl de jager zwaar en heet in z’n hals hijgde. Ze zeiden geen woord, terwijl de jager z’n met zaad klevende hand terugtrok en ’t deken over hen heen trok. Langzaam keerde hun ademhaling terug naar een normaal ritme. Arlin bleef nog even, voldaan, onbeweeglijk liggen, het warme lijf van de jager tegen z’n rug aangedrukt, voor hij zich terug overgaf aan z’n – ditmaal rustiger – dromen.

De volgende ochtend ontwaakte Arlin als eerste. Het dauw stond nog op het deken terwijl hij zachtjes uit de losse omhelzing van de jager gleed, die protesterend kreunde. Hij fatsoeneerde z’n kleren, de korrelige vlek op de slip van z’n hemd negerend, en verfriste zich met een restje water dat ze nog bij zich hadden. Hij voelde zich vies en betreurde z’n eerdere weigering om te baden. Terwijl hij op een stuk gedroogd vlees kauwde keek hij naar de slapende jager en greep z’n schrijfplank. Toen de man ontwaakte en de blik van de reiziger bespeurde glimlachte hij. Hij bevrijdde zich van de deken en rekte zich met een tegen de bomen resonerende oerschreeuw uit.
“Wat is de ochtend zalig als je heerlijk hebt geslapen!”
Arlin grijnsde even en boog zich over z’n werk, terwijl de jager wat rond het vuur begon te rommelen, tot hij z’n metalen beker had gevonden. Hij begon koffie te zetten en keek opzij naar de schrijvende man.
“Inspiratie?”
“Zonsopgang en -ondergang zijn perfecte momenten.”
“Dan schrijf je vast niet over één of andere saaie geschiedenis.”
“Het is onbeleefd te polsen naar de inhoud van een schrijvers werk, voor dat af is.”
“Oh.”
De twee mannen lachten en togen aan hun respectievelijke taken. Minder dan een halfuur later bevonden ze zich alweer, gepakt en gezakt, om één van de mooie, maar verborgen paadjes door het uitgestrekte woud. Moerasgebieden, heide en dichte naaldbossen met zachte bodem volgden elkaar snel op. Ze wisselden amper een woord uit, zichtbaar comfortabeler in elkaars zwijgende aanwezigheid. In de late namiddag bereikten ze een kreek met helder water in een kleine komvallei, aan twee kanten omsloten door dicht woud. Hoewel de zon al begon te zakken was het er onverwacht warm, de lucht door de beschutting van woud en rotsen gevangen. Arlin wilde meteen van de gelegenheid gebruik maken zich te verfrissen. Terwijl hij zich van z’n kleren bevrijdde keek de jager glimlachend, liggend in ’t hoge gras toe. Ditmaal was het de oudere, donkerharige man die naakt, water van z’n eerder bleke lichaam druipend terugkeerde. Het genot van de warmte op z’n huid had z’n lid doen zwellen, wat de jager niet ontging.
“Ik kan je daarmee helpen, als je wil.”
Arlin keek ‘m aan, aarzelend, maar hield geen hand voor z’n kruis. Hij wist dat z’n lul schokkerig verder opzwol.
“Ik zei ’t al eerder, volle ballen zijn niet goed voor een man. Moeder Natuur heeft ons zo geschapen dat we dagelijks ons zaad dienen uit te stoten.”
Arlin beheerste z’n lach. Het geloof van de woudbewoners had een ranzig, zei het best aangenaam ranzig, randje. Aan het Elfenhof had hij al gefluister gehoord, niet zonder enige afgunst daarin verscholen, over het ‘onzedelijke gedrag’ van de bewoners van de Darynsche wouden. Hij moest de jager toch ’s verder uithoren.
“Wat?”
Hij besefte dat hij de jager spottend had aangekeken.
“Helpen de mannen in het Elfenrijk elkaar niet wanneer geen echtgenote voorhanden is?”
“Elfen vinden beheersing van de driften erg belangrijk.”
Kilnor spuwde in het gras. “Wat een onzin. Weet je waarom die elfen zo hooghartig zijn? Hun zaad is naar hun hoofd gestegen en heeft hun hersenen verstopt. Saaie kwieten.”
Hij keek Arlin weer aan en wees naar z’n halftsijve pik. “Nou? Help ik je daarmee?”
De reiziger glimlachte. “Nee. Dit keer is ’t mijn beurt. Ga op die rots zitten.”
De jager keek verrast op, maar gehoorzaamde, waarop Arlin voor ‘m knielde en onhandig z’n broek los gespte. Hij voelde de vingers van de jager door z’n natte haren strijken terwijl hij z’n al verrassend harde lul bevrijdde. Zachtjes liet hij z’n hand over het warme orgaan glijden, terwijl hij z’n lippen tegen de vrijkomende eikel drukte.
“Je hebt dit nooit eerder gedaan hé?”
De stem van de jager klonk hees. “Nee… jij wel?”
“Uhu.”
Hij duwde Arlins hoofd dichter tegen z’n nog steeds groeiende pik aan.
“Neem me in je mond. Langzaam. Zachtjes zuigen.”
Kilnor gromde en verstevigde z’n greep op ’t hoofd van de andere man, intussen richtlijnen gevend hoe hij afgezogen wilde worden. Langzaam werden z’n woorden onsamenhangende kreunen van genot. En toen hij grommend dikke stralen sperma tegen het gehemelte van de reiziger spoot had hij alle controle al laten varen. Hij gaf zich helemaal over aan de man die ‘m met enthousiaste nieuwsgierigheid pijpte en bovendien het zaad dat z’n keel overspoelde kreunend doorslikte. Terwijl z’n pik in de mond van z’n partner verslapte streek hij tevreden door z’n korte zwarte haren.
“Dat was lekker… je bent een snelle leerling. Wil je me kussen?”
Arlin glimlachte en richtte zich op, z’n naakte lichaam tegen de kleren van de jager schurend. Toen z’n lippen die van de jager raakten, voelde ze allebei een lichte trilling door hun lijf schieten. Arlin wist dat de jager z’n zaad op z’n lippen proefde. Dat besef deed – tot zijn verrassing – zijn lul verder verstijven.
“Ik geloof niet dat dit noodzakelijk is om je van je zaad te bevrijden?”
“Nee, maar het vereenvoudigd het wel.”
Hij wilde de jager vragen wat hij bedoelde, maar werd door de man ruw achteruit geduwd. Terwijl hij tegen een rots steunde kuste de jager hem wild, zoals hij zelden door een vrouw was gekust. Z’n handen zaten overal, grepen z’n harde lul en streelden z’n billen, gleden over z’n buik en naar z’n tepels. Met hese stem, terwijl hij z’n partner aftrok, keek de jager ‘m aan.
“Ik ga je neuken.”
De man moest z’n geschrokken blik hebben opgemerkt. Hij drukte z’n mond opnieuw tegen de zijne en fluisterde zachtjes z’n naam.
“Niet meteen, maar wij gaan neuken. Dat weet je.”
Arlin slikte. Hij wist dat z’n blik z’n antwoord verried. En hij kreunde, zich tegen de harde rots aandrukkend, terwijl de jager ‘m voor de tweede keer aftrok en z’n zaad over zijn hand voelde spuiten. Grinnikend maakte de jager zich van ‘m los en bracht zijn hand naar z’n mond. Terwijl hij z’n vingers schoon likte, de lange spermadraden tussen z’n lippen zuigend, keek hij Arlin aan.
“Kleed je aan. We gaan.”

’s Avonds, nadat ze hun kamp hadden opgebouwd en de resten van de tweede haas hadden verorberd, keken ze elkaar zwijgend aan. De rest van de avond had de seksuele spanning zich opgebouwd. Ze hadden amper nog iets gesproken. Arlin wist dat ze zouden neuken. Dat de jager z’n lichaam zou bezitten. En dat hij dat wilde. Hij wist enkel niet hoe. Moest hij zich geven? Wilde de jager dat hij ’t vroeg? Ze dronken allebei te veel en toen hij de kruik wijn opnieuw doorgaf liet de jager die ineens vallen om z’n hand te grijpen. Ze kusten elkaar opnieuw. Handen grepen elkaars kleren. Het vuur vlamde hoog op terwijl ze elkaar uitkleedden. Het voelde aan als een bevrijding hun naakte lijven tegen elkaar te kunnen drukken, hun pikken reeds keihard. Arlin belandde op z’n buik op de aarde, z’n kloppende pik gekneld tegen de bodem, maar het deerde ‘m niet, genietend van ’t warme, harde lijf op z’n rug, vochtige lippen in z’n hals en op z’n schouders. Hij hoorde de jager spuwen en voelde hoe z’n benen door een knie werden gespreid. Hij slikte, was angstig en opgewonden tegelijk, z’n lul steeds harder in de grond drukkend. Hij kreunde wanneer vochtige vingers in z’n kont drongen.
“Ontspan je…, hijgde de jager in z’n hals. ”Denk aan iets moois.”
Z’n schreeuw galmde door ’t woud wanneer de harde, kloppende paal van de jager in z’n kont drong. Twee gespierde handen drukten ‘m op z’n schouders tegen de grond aan. “Ontspan je…”
De jager kreunde en stootte langzaam dieper door. Brandende pijn en genot vonden elkaar. Hij voelde warme, vochtige kussen in z’n hals, terwijl de greep op z’n schouders verslapte.
“Gaat ‘t?”
Z’n kont brandde en klopte. Hij knikte. Hij voelde de harde pik in zich kloppen.
“Neuk me…”, fluisterde hij, de pijn verbijtend. Langzaam trok de jager zich terug. Een leeg gevoel bleef.
“Neuk me…” Hij kreunde, pijnlijk, wanneer de als enorm aanvoelende pik weer in hem gleed. Het gevoel van gevuld te zijn. Hij spreidde z’n benen en zocht houvast. De jager trok zich weer terug en stootte weer toe, iets sneller dit keer. Hij werd geneukt. Een man die hij pas enkele dagen geleden ontmoette pompte z’n harde pik in zijn kont. Bezat hem zoals een man zijn vrouw nam, zoals een minnaar zijn geliefde… met de bedoeling zijn zaad in hem achter te laten. En hij vond ’t lekker. En fluisterde: “Neuk me…”
Hun kreten vermengden zich met elkaar, in het stille, donkere bos, terwijl vuur en hun wellust elkaars lijven verder verhitte. De jager kreunde z’n naam voor hij zich met een laatste, harde stoot in hem boorde. Hij voelde ’t harde lijf op zich verstrakken en de harde pik in z’n kont schokken terwijl de man klaarkwam. En slaakte zelf een kreet van genot, z’n zaad tegen de stoffige bodem lozend, terwijl hijzelf het warme zaad van z’n minnaar in zich voelde spuiten. Samen kwamen ze tot rust, hijgend en trillend. Arlin voelde ’t zweet van de jager in z’n hals en op z’n schouders druppelen. Hij rilde en kreunde zachtjes wanneer de verslappende, vochtige pik uit z’n kont gleed. De jager, die nu z’n minnaar was geworden, drukte hete kussen op z’n schouder, oor en wang.
“Dit was lekker. Je hebt een zalige reet, man. Vond je ’t ook lekker?”
Arlin kreunde een instemming en rilde, z’n bezwete lijf verkillend in de avondlucht. Met een laatste kus op z’n schouder rolde Kilnor van ‘m af. Glimlachend kleedde hij zich aan, terwijl hij z’n naakte minnaar aan.
“Kom op, kleed je aan en laten we slapen.”
Arlin knikte en klauterde met een pijnlijke grimas overeind, waarna hij in z’n kleren en in Kilnors armen gleed. Hun lippen vonden elkaar meteen. Kilnor streek zachtjes door Arlins haren, terwijl die in slaap viel, en fluisterde tegen z’n voorhoofd.
“Slaap zacht, m’n lief. Morgen ben je weer de mijne…”

De rest van de reis naar het zuiden neukten ze elke dag, soms zelfs meerdere malen. De ochtend nadat ze voor het eerst de liefde hadden bedreven raakten ze elkaar niet aan, maar nog voor de middag om was, had Kilnor Arlin tegen een boom gedrukt, z’n broek naar beneden getrokken en ‘m hard en snel genomen, z’n zaad opnieuw in z’n kont lozend terwijl hij ‘m aftrok. Meestal was ’t de jager die de andere man nam, maar na de tweede nacht, hun vierde sinds ze samen optrokken, deed Arlins kont zo’n pijn, dat ze elkaar afzogen. En de derde nacht liet Kilnor zich door de reiziger nemen, al was het voor beiden duidelijk dat de jager de dominante rol op zich nam. Hij kon meerdere malen per dag neuken en kreeg geen genoeg van de kont van z’n minnaar. Elke keer leegde hij z’n ballen in de man, forse ladingen zaad in z’n keel of kont deponerend. Telkens fluisterend dat ’t een zonde was Moeder Natuur niet te eren. Na een nieuwe passionele vrijpartij, de ochtend na hun zevende nacht samen, lagen beide mannen, badend in het zweet, naakt in elkaars armen. De zon was nog niet boven de bomen uit geklommen, maar de dagen en dus ook nachten werden langzaam warmer.
“Vertel me over de seksuele gewoontes die jullie hebben.”
De reiziger viste met z’n tong een druppel zaad van de onderlip van z’n minnaar en kuste hem.
“Je bedoelt de woudbewoners?”
“Uhu. En hun losbandige gewoontes.”
“Zoals mannen neuken?”
“En jongens. Jullie hebben een merkwaardige initiatie, schijnt.”
“Je bedoelt de mythe dat bij de intrede tot de volwassenheid jongens en meisjes worden ingewijd door een oudere, ervaren man of vrouw?”
“Is het een mythe?”
“Nee.”
“En jij?”
“Door een ongetrouwde buurvrouw. Ze heeft me veel geleerd.”
“Blijven jullie minnaars?”
“Dat kan. Sommigen doen het maar één keer, anderen blijven langer bij hun inwijder. En als je kinderen hebt voortgebracht, mag je als inwijder fungeren. De ingewijde kiest zelf z’n inwijder. En die mag niet weigeren.”
“Die gebruiken heeft de keizerin ongetwijfeld trachten in te tomen.”
“Niet echt. Ze weet best dat ze op onze loyaliteit kan rekenen als ze ons Geloof eerbiedigt. Al moedigt ze het evenmin aan.”
De reiziger tilde z’n hoofd op van de borst van de jager en keek ‘m aan terwijl de man verder ging.
“En vergeet niet, ze is zelf geen heilig boontje, die ’t vast niet erg had gevonden in het noorden te zijn opgegroeid.”
De jager boog zich naar de reiziger toe en kuste ‘m op de mond.
“Het Keizerlijke Paleis is een broeinest van intriges. Wil jij je echt in die slangenkuil wagen?”
“Het Hofleven biedt voor een goede observator een uitstekende kijk in de manier waarop een rijk wordt bestuurd.”
“Je praat goed, reiziger, maar je zegt weinig.”
Arlin keek op naar z’n minnaar. Hij fronste even, maar glimlachte toen Kilnor naar ‘m knipoogde.
“Je weet best dat ’t hofleven enkel draait om formeel gedrag. Het is niets meer dan theater. De beslissingen worden elders genomen.”
“Jij weet best veel voor een eenvoudige jager uit het noorden, die enkel als kind in de hoofdstad was.”
“Kennis is belangrijk.”
Arlin lachtte en kuste de gespierde borst van de man, daarbij enkele druppels zweet weg likkend.
“Ben je vaak als inwijder gevraagd?”
De jager wendde z’n hoofd af en verbeet een vloek. Na een korte stilte mompelde hij een antwoord. “Aangeduid. Je wordt aangeduid.”
Arlin deed alsof hij de ergernis bij z’n minnaar niet opmerkte en bleef z’n borst kussen. “Tegen je zin?”
“Het is een eer.”
Weer viel een stilte, tot de jager een besluit nam. Hij draaide z’n hoofd weer naar de reiziger toe en haalde z’n vingers door diens korte haren.
“Zeven keer. De eerste keer door een dorpsmeisje dat dacht dat ze verliefd op me was. Dat heeft zowel haarzelf als m’n vrouw pijn gedaan. Ze is daarna nog een tijdje m’n minnares geweest. Het heeft me geleerd niemand van me te laten houden.”
“Dat is wreed.”
“Integendeel. Van iemand houden is wreed. Beter is te houden van de wereld, van het leven, van het genot, van de lust.”
“Van het Geloof?”
“Nee. Het Geloof leert je liefhebben. Leert je te beminnen.”
“En daar ben jij goed in.”
De jager glimlachte en kuste Arlin op de mond. “Dank je. Ik hoop dat ik ’t een kronikeur van het Elfenrijk daar iets over heb geleerd.”
“Meer dan iets. Laat ’t me je vanavond bewijzen.”
De jager lachte en sloeg Arlin met z’n vlakke hand op de blote billen. “Niet vergeten. Wordt niet verliefd op me. Bemin me, neuk me, neem me, maar verlies je niet in me.”
Een zucht ontsnapte de man, die even naar de lucht staarde, voor hij zich uit de omhelzing van z’n minnaar klauterde.
“Kom, kleed je aan. Ik heb beloofd je naar Klaverdal te brengen.”

De volgende ochtend maakte het woud langzaam plaats voor glooiende groene vlakten. Het dichte woud dwarrelde uiteen in kleine bosjes om tenslotte helemaal te verdwijnen. Laag struikgewas overwoekerde op enkele plaatsen het pad, tot ze de eerste weiden bereikten en in de vlakte voor hen een met hoge muren en torens omgorde stad lagen liggen langs een meanderende rivier, die vergeleken met de Daryn niets minder dan een groot uitgevallen beek was. Arlin maakte geen opmerking over het feit dat ze er twee dagen langer over hadden gedaan dan de beloofde zes. Hij bekloeg zich de vertraging niet, integendeel. De voorbije nacht hadden ze uren geneukt. Ze hadden een heerlijke, door rotsen beschutte plek langs een wild stromende beek gevonden, waar ze nog voor een vuur brandde, elkaar hadden uitgekleed, gestreeld en gekust. Zoals Arlin had beloofd, zette hij alles wat hij van de jager had geleerd in de praktijk om. Eerst had hij de man vol overgave gepijpt en z’n zoals steeds rijkelijke zaad met gulzige slokken gedronken, waarna hij ‘m, staande tegen de rotsen had omgedraaid en in de kont genomen. Ze bedreven de liefde tot geen van beide de ander nog iets te geven had. Ze aten niet en proefden elkaars lichaam in de wetenschap dat ze elkaar de volgende dag zouden verlaten om elkaar nooit meer te ontmoeten. Tussen het neuken lagen ze in elkaars armen, zwijgend, strelend en kussend, tot één van hen weer hard werd en de andere omdraaide of besteeg. Arlin glimlachte en wist dat hij de nacht niet hoefde te verhalen in zijn schrijfsels om ‘m te herinneren. Het genot van de herinnering en de pijn van het nakende afscheid vochten met elkaar. Hij besefte dat de jagers sinds de ochtend van de vorige dag eigenlijk niets meer had gezegd. Hij probeerde hem even uit te horen over de dorpen rond Klaverdal, maar kreeg enkel een zachte grom als antwoord. En besloot dat ook de jager leed onder de naderende scheiding. Tenzij het verlaten van het woud ‘m echt zo zwaar viel. Weg was zijn glimlach en de steeds weer opflakkerende twinkeling zin zijn ogen.
De jager leidde hem door naarstige dorpen, waar de bewoners te druk in de weer waren met het inhalen van hun oogst of het herstellen van hun woningen om hen meer dan een groet toe te roepen. Het land ademde gastvrijheid uit. Haar bewoners, levensvreugde en ijver. Klaverdal was, vergeleken met de rust van het woud, hectisch. Hoewel de stad niet bijster groot deden de met mensen, paarden en karren gevulde nauwe straten Arlin denken aan een gigantische mierenhoop. Mensen riepen voor de kronikeur woorden in een chaos van klanken naar elkaar, maar bleken elkaar goed te begrijpen. Het betreden van de stad was tot zijn verrassing kosteloos, al begreep hij later dat reiziger binnen de stadsmuren moesten overnachten én herbergen een reizigersbelasting betaalden en dus ook inden. De jager bracht hem naar een grote herberg met de naam ‘De Razende Duif’ en regelde met de herbergier, een roodaangelopen drukke kerel met donkere bakkebaarden, een prijs voor overnachting en maaltijd. Waarna ze met een eenvoudige handdruk en zonder verdere woorden afscheid namen. Toen de jager de herberg uit stapte, bloedde Arlins hart. Hij wilde hem achterna lopen, bij de arm trekken en vragen of hij geen zin had om de stad die hij in z’n jeugd had bezocht terug te zien. Maar in plaats daarvan nam plaats aan een tafeltje in een donkere hoek van de gelagzaal en bestelde een grote kruik veel te dure wijn. Hij zag niet meer hoe de jager de hoek van de herberg omsloeg en een praatje maakte met een fruitverkoopster in de drukke straat.
“Ik heb ’t hem gegeven, zoals je vroeg.”
“Is hij de ambassadeur?”
“Dat hield hij voor me verborgen. Maar ik weet ’t wel zeker.”
“Goed. Ik heb je verder niet nodig.”
“Meesteres, u had beloofd…”
“Pak je weg. Als ik verdere opdrachten voor je heb, vind ik je op de gewone plaats.”
“Meesteres…”
Onder de hoofddoek van de jonge vrouw sprongen enkele rode haren vandaan. Haar blik was krachtig, maar leeg. Even leek haar hele oogbol donkerzwart te kleuren.
De jager week geschrokken terug. Hij stond even verloren, stil, tussen de langs ‘m heen lopende drukke stedelingen. Als een boom in een kudde rennende elanden. Toen hij terug opkeek was de verkoopster verdwenen. Niemand leek iets te hebben gemerkt. Hij zuchtte en keek, voor hij zich omdraaide en richting stadspoort verdween, even naar de herberg met een blik die spijt leek te verraden.

 

Gerelateerde verhalen

x-art_jillian_michael_vegas_jillian_begs_for_a_ride-7-sml
De Vrouw Met De Leren Jas
x-art_gina_edward_fucking_unicorns-6-sml
Voornemen
x-art_gina_edward_fucking_unicorns-14-sml
Marktplaats

 

Free porn videos

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  2 comments for “Duivelszaad (deel 1): De reiziger en de jager

  1. 6 augustus 2017 at 14:07

    Onmiskenbaar goed en zorgvuldig geschreven. Er mankeert niets aan het Nederlands maar de inleiding is te lang en langdradig. Er gebeurt niets wat de nieuwsgierigheid wekt of tot de verbeelding spreekt waardoor het verhaal niet boeit en niet uitnodigt tot verder lezen. Ik ben halverwege afgehaakt.

    De algemene voorwaarden melden dat incomplete (vervolg)verhalen niet worden gepubliceerd. Waarom is dat in dit geval wel gebeurd?

    • 13 augustus 2017 at 13:44

      De combinatie fantasy- en erotisch verhaal is geen gemakkelijke optie. Ik probeer twee elementen te verweven, waardoor er een inderdaad een risico bestaat dat het geheel langdradig wordt. Ik weet niet of ik gefaald heb of geslaagd ben… het lukt me namelijk niet verdere delen, die al een hele tijd geleden geschreven zijn, te posten. Terwijl deel één moeiteloos een plaats kreeg, wordt deel twee als spam beschouwd (geen idee why). Het spijt me. Het zal dus wellicht bij een onafgewerkt en dus ook onbegrijpelijk verhaal blijven… 😉

Geef een reactie