Het is middernacht. Dikke slierten mist omgeven mij als ik hondsmoe loop te zoeken naar iemand die me kan helpen. Mijn wagentje heeft het zojuist begeven even buiten het dorp. Ik had het moeten zien aankomen. Toen ik deze ochtend vertrok had ie al rare geluiden gemaakt. Maar ja, je weet hoe dat gaat … ’s ochtend gehaast om op tijd te komen … hop de wagen in en karren maar! Helaas heeft ie net nu de geest gegeven … zeker nog 100 km van thuis verwijderd! Shit! Shit! Shit!

Middernacht dus … het is ijzig koud … en is het hier zo stil dat ik zelfs geen nachtdieren hoor. Normaal gezien zou je die nu toch moeten horen, niet?

Ik loop hier in mijn veel te kort rokje en topje dat amper die naam waardig is. Deze ochtend was het nog zo lekker zonnig, maar nu met die mist snijdt de kou door mijn vermoeide ledematen. Ik bijt mijn tanden stevig op mekaar om te voorkomen dat ik ga klappertanden.

Net voor het naambordje “EROGOT” was ik hortend en stotend tot stilstand gekomen. Een laatste reutel en de motor viel stil. Geen enkele beweging meer in te krijgen … minstens een kwartier had ik aan die contactsleutel zitten draaien. Op de duur gingen de lampjes van mijn dashbord zelfs niet eens meer branden. Nu ken ik niet veel van auto’s, maar genoeg om te weten dat mijn batterij er ook langzaam de brui aan gaf.

Nu mocht ik eigenlijk nog niet klagen … net in panne gevallen aan de ingang van een dorpje ... je kan het slechter treffen. Dus uitgestapt en beginnen lopen in de richting van wat me de silhouetten van huizen leken. Er hing een dikke mist tot laag tegen de grond … echte erwtensoep! Ik versnelde mijn pas … des te sneller kon ik me ergens gaan opwarmen!

Maar wat me eerst wat hoop had gegeven, sloeg vrij snel om in diepe teleurstelling … hoe ik ook rondliep door de kleine straatjes, nergens maar dan ook nergens brandde er enig licht! Gingen ze hier allemaal met de kippen op stok, of wat?! Verdomde plattelanders!

Ik weet niet hoeveel tijd er inmiddels verstreken was sinds ik mijn warme wagentje noodgedwongen verlaten had, maar ik raakte wel flink verkleumd … en zowat elk bobbeltje op mijn hele lijf stond stijf rechtop … zelfs mijn tepels prikten onaangenaam tegen de stof van mijn topje.

   

 

 

 

Plots zag ik de contouren van een kerk. Zelfs de toren was amper zichtbaar door de mist, maar wat ik wel zag … was licht! Een nieuw gevoel van hoop welde op. Doorheen één van de glasramen scheen een rode gloed naar buiten. Nu ben ik sinds lang geen kerkganger meer, maar ik voelde me zo miserabel dat ik besloot daar mijn toevlucht te nemen. Misschien stonden er wel kaarsen te branden waaraan ik me even kon opwarmen …

Was een kerk immers geen toevluchtsoord voor de zwakken, de verstotenen, de zoekenden…?

 

 

Zoek snel de kerkpoort