Uit de openhartige brieven van Maria Luijtjens (1631-1676)

Onlangs zijn de openhartige brieven teruggevonden van Maria Luijtjens, echtgenote van Teunis Adriaanszn Visscher, officier op VOC-schip de Java. Hieronder de integrale brief van 2 oktober 1651 die Maria verstuurde kort na Teunis’ vertrek vanuit Amsterdam naar de Oost. Daaronder een fragment uit de brief van 1 januari 1652.

Maandag 2 october van het jaar onzes Heeren 1651
Liefste man,

Het is noch maar kort geleden dat ik U op de kade van Amsterdam heb uitgezwaajd. Het vertreck van de Java was indrukwekkend en vol van emosie. Wy waren gezeghend dat we tot op ’t lest ooghcontact hadden en wuijven konden. Hoelange zal het duren eer u weerom keert en wy elck ander opnieuw in den armen zullen sluijten? Welcke gevaren zullen U op Uw tocht bedreijghen? Hopelick bent U in Gods hand en keert U ghesont en wel terug in Amsterdam.

Het doet my deught dat U onze weledele buurman Carel van den Woesteijne hebt verzoght in de tijd dat ik U moet ontberen myn chaperon te zijn in ghoeden en in sleghten daghen. Ik kan U geruststellen dat hy zich vanaf de dag van Uw vertreck voorbeeldigh van zyn taak heeft gekweten. Vrijwel yder moment dat hy vrij is van zyn voor my ietwat schimmighe sacken vereert hy my met zyn sorghsame visites. Hy informeert dan omstandigh naar myn toestand en vraaght geregheld naar myn lighamelicke en gheestlicke ghesteltheijt. Regelmatigh neemt hy dan de geleghenheijt te baat voor te lesen uijt sijn sackbijbeltje. Ja, liefste, Carel is ene vroom en sorghsaam mensch, uijtermate geschickt voor de door U aan hem verzoghte taak.

Gister hebben hy en ick samen de caert der wereldzeeën aanschout en daarop uw reijsroute aangebraght naar den Oost. Uijt Carels uijtlegh heb ick begrepen dat ene brief U pas kan bereijken als U in Java bent aanghekomen. En dan altijt veel later aanghezyn myn sgrijven pas met een volghent schip kan arriveren. Vreemt dat dezen woorden u pas sullen bereijken over een maant of zesch. Op dit moment kan ick U noch niet sgrijven of ik in blijde verwaghting ben gheraakt van Uw plichtpleghingen in de naght voor Uw vertreck. Wat ick in elck gheval wel kan koesteren en naar ick hoop U oock, is de ghedachte aan onze leste eghtelicke paring. Ick sou het vreemt en merckwaardigh achten wanneer het vuur waarmede ons liefdesspel ghepaart gingh vrughteloos is ghebleven. Ick mis Uw persoon, Uw spreken, Uw aanwezigheit, Uw humor, maar naar Uw lijf en leden, in het byzonder dat ene lid, hunker ick dagh en naght. Hoewel het God een gruwhel is kan ick het bij tijt en whyle niet laten de hant aan eijghen kruijs te slaan. Hoewel myn vinghers tandenstockers zyn vergheleken bij Uw fokkenmast.

Wat dat betreft noghmaals myn complimenten voor het versoeck aan buurman Van den Woesteijne die stipt Uw honneurs waarneemt. Het zal U niet verbazen dat ick eerst enigszins geschockt was vanweghe zyn aandrangh met my de egtelicke sponde te delen in Uw afwezighyt. Dat dit oock op Uw versoeck gebeurde was my toen noch niet bekent. En toen Carel my wel op de hooghte had ghestelt – dat hy voor my moest sorghen, soals U voor my gesorght zou hebben wanneer U niet sou zyn afgereijst naar het verre Java, en dat sorghen verder ginghen dan ghelt, voeding, gezontheijt en zo verder – toen maacte ick me sorghen over in verwaghting raken. Ick veronderstelde, naïef als ick was dat oock Carel my sou kunnen bezwangheren. Soals U oock regelmatigh heeft opghemerckt vertoont myn algemene kennis van het leven soms ghaten en ick wist niet dat Carels zaat in myn buijck gene vrughtbare bodem zou vinden, eenvoudighweg omdat wy niet gehuwt zyn. Bovendien gaf Carel aan óf voor het singhen de kerck uijt te gaan óf andere inghangen te soecken die niet zouden leijden tot vrughtbeghinselen.

Nu aghtten wy onze buurman Carel van den Woesteijne immer al hoogh, maar ick kan u versekeren dat de man noch meer in zyn mars heeft dan wy al vermoedden. Het doet my deugt u van enige aneckdotes te verwittighen aangaande buurman en my. Het sal U opvrolijcken op dat warme Java en wie weet wat opgeijlen. Dat woord kende ick noch niet. Carel ghebruijckt het bij voortduringh en hy doet dat oock steets bij my. Volgens hem zult U zich wel gaan opgeijlen aan de meijsjes van Java. So lang zonder vrou is voor ene man onmoghelick om vol te houden seght hy. U sou er waanzinnigh van kunnen worden. Ik gheloof hem op syn woord, hy vertelt zo betroubaar. Aan één dingh twijfel ick. Hy vertelde dat de bemanning van verre scheepsreijsen zich soms met elckander vermaken. Dat officieren matrozen kiezen met wie zy het tegennnatuurlicke doen. Dat lijkt my stugh, Teunis. Carel overdrijft soms wel.

Zo zeijde hy gisteren dat hy wel vier malen in korte tyd na elkaar zaat kon spuwen. Een of twee malen wilde ick wel gheloven, dat hebt U meerdere malen gepresteert, lieve Teunis, maar vier malen? Hy kon het demonstreren zeijde hy, boven in ons bed. Daar laghen net sghone lackens op, ik vond moghelicke knoejereijen niet erg wenselick. Hy drong eghter aan en het leeck my oock wel enerverent. Vier malen, stel U voor, Teunis!

Voor zyn wonderbaarlijcke prestasies moesten wij ons beijden ontkleden. Buurman toonde zyn wapen in vol ornaat. Het stond overeijnd als de Westertoren met dat versgil dat zyn klockenspel niet boven maar onder bungelde. Het leeck op Uw canon, maar langher en dunner. Ick moest me door hem laten bekijcken, vooral in het vooronder. Hy tuurde ernaar als een arts, hoewel een groenteboer oock van toepassingh was, omdat hy in myn spleet een pruijm scheen waar te nemen. Ter plecke veranderde hy van lieverlee in een hyghende hond die zyn rose tong over myn pruijmpje liet gaan. Het voelde merckwaardigh fijn, ene uniecke ervaringh, die buurman geijl noemde.

Vervolgens nam hy myn borstjens en lebberde er zo danig aan dat wasschen voorlopig niet nodigh meer is. Oock dit was zeer geijl. Er volgden kuschjes en zoentjes over mijn hele lyf, tot aan – ick durf het U nauwelicks te melden – het gat van waaruijt ik gewoonlick den poepdoos vul. Het was ene hemelsch ghenot , myn geslaghtsorgaan leeck in brant te staan. Het duijzelde my.

Geluckig was daar syn stevighe roede waaraan ick me kon vastgrijpen als aan een trapleuningh. Mijn omklemmingh had een verrassent effeckt. Niet alleen zette buurman het op een ameghtigh kreunen, na sleghts enkele schuijfbeweghingen begon zyn stramme lansch uijt het ooghje boven op de verdicking die noch het meest wegheeft van de vrught van ene eick lobbighe en melckwitte klodders te spuijten. De fonteijn in het park was er niets bij.

Nadat Carel enighe wijle tot rust was ghekomen en zyn geslaght het kopje had laten hangen quam de stevigheit terug door myn aanhaligheit. Zyn spanningh moght dan zyn geweken, de myne bonkte onafgebroken in myn venusportaaltje. Het maackte my niet uijt hoe hy myn geijligheit zou ledighen, als hy het maar deed. Om Carel terwille te zyn, spreijdde ick beijde benen zo weijt ik kon in de hoop dat het rose van myn opengesperde tweede mondje hem zoude verlocken zyn naajstaaf erin te begraven. Hetgeen ghebeurde meteen nadat zyn stijvigheit was weerom gekeerd. Sabbelent op myn spenen druckte hy zyn volledighe piecklengte myn onderghelopen ghangetje in. Hy was de brandweer die het vuur zou blusschen, nadat hy hetzelve flinck had aanghewakkert.

Met U, lieve Teunis, heb ick vele momenten van extase gekend. Oock buurman Carel wist my tot den top van den Utregtse Dom te pompen. Eerlick is eerlick, wellight is het zyn leeftijd en daarmee zyn ervaringh in dezen, zo hoogh als hy my braght was ick noojt gheweest. Op dat moment had ick myn reghterarm gegheven om in dat hooghtepunt te bleijven hangen. Buurman op zyn beurt wist voor den tweede maal dat uur zyn pijp te ledigen.

Hijghend lagen wy aghterover in de bedstee, deuren waghenweijt open om de hitte de ruijmte te geven. Wy waren nat van transpirasie. En Teunis, zo wonderlick, buurman wist zijn fokkenmast onafghebroken reghtop te houden, kloppende, beweghende, snackende naar meer leeck het wel. Ick was zo vertedert door het natte dingh dat ik het moest bekeijken van dightbij. Het deed me dencken aan de versche worscht van Slaghthuijs Brenninkmeijer op de Oude Zijds die onze meijt Dina zo sappigh klaar kan maken.

Ick kon de sauceijs eenvoudigh niet wederstaan. Voor ick het wist, had ick er myn lipjens opgezet en soogh ick van den sappen waarin het nog vlak daarvoor gegaart was. Myn sappen en de zyne. Beijten dorst ick niet, maar wel gulzig myn gehele montholte ermee vullen. Buurman keek verleckert toe en streelde myne haren. Hy kreunde alweer en hoe meer ick zoog, hoe meer hy mijn hooft of zyn fijne vleeschwaren duwde. Ick kneep onderweijl speelsch in de balletjes van zyn zack en vond daaraghter net zo een gaatje als hy bij my had gekuscht. Zo doende – happent, zuijgent, knedent en vingerent – braght ick buurman tot zyn derde keer. Het was alsof zyn worscht openbarschtte en het vet eruijt stroomde. Myn mont vulde zich met lauwwarm voght dat ik – om den lackens schoon te houden – naarstigh doorslickte.

Vervolgens liet ick me, de uijtputtingh nabij, voorover vallen op het bed. Drie keer was Carel nu aan zyn gherief ghekomen, als ick het niet aan den lijve had ondervonden, dan had ik het niet ghelooft. Hij lag gevloert naast my, tot niets meer in staat. Zyn fokkenmast was geslonken tot boegspriet, de zeijlen leken gestreken. Hy maackte enkel roghelende geluijden.

Zo lagen wy zeker een kwartier. Ick had nergens meer op gerekent, toen Carel plots overeijnt kwam en met hem, God sta my bij, als Fenix uijt de asch herrezen, zijn koevoet met de kloten. Zyn blick was van een vastberadenheit waar kettervervolger Philips II noch een puntje aan had kunnen zuijgen. Met verbazing zag ick hoe Carel syn gereetschap met flincke klodders speecksel bevoghtigde zich vervolgens over myn derrière heen boog en opnieuw myn aarsch in den mont nam. Rijckelick bevoghtigent alsof hij leed aan speeckselvloed. Ik voelde het spuugh tusschen myn benen door naar voren druppen. Een waar beeckje waarin Carel vervolgens zyn boomstam te drijven legde. Hy vingh an met duwen en of myn gat wilde of niet, de wig vond zyn weg in het donker. Ick moest myn schreeuwen in het kusschen smoren, want gemakkelick was deze ingangh niet. Pijnloos evenmin. Ick was me gewoon me via deze wegh te ontlasten, noojt werd er desweghen iets ingebraght. Had buurman zich wellight vergist in den ingang? Hij gromde, steunde en toen, voordat ick het wist, vloogh zyn edel deel eruijt en spoot Carel voor den vierde maal in noch geen anderhalf uur zijn zaad op my. Ick voelde het druijpen langs myn billen en ick berustte. Het was over, Carel had zyn ongelooflicke prestasie neergezet.

Wy lagen naast elkander, kuschten wat en vielen in elkanders armen in ene diepen slaap. Zo vond den meijt ons aan het eijnt van den middag. We gaven haar opdraght water te warmen en ons in den tobbe te waschen. Aldus geschiedde.

U ziet, lieve man van me, dat ick my niet hoef te vervelen zonder U. Oock op andere dagen zorght Carel voor vertier. Soms vragen we de meijt erbij, want zowel Carel als oock ick vinden haar borstjens zaligh om te proeven en haar geslaghtssapjes zijn gelijck nectar. Meer daarover in een volghende brief.

Ick wensch u behouden reijs en Gods zegen. Ik mis U heel erg en bid daghelicks voor U.

Uw ghetrouwe echtgenote, Maria Luijtjens

Dinsdag 1 januari van het jaar onzes Heeren 1652
(fragment)
Allerliefste Teunis,

(…) en kan ick U melden dat Uw zaad alsnoch vrughtbaren bodem heeft ghevonden. Is het niet heerlick en wonderbaarlick dat dit na zoveel maanden toch noch is gebeurt? Uw sperma moet van het sterckste soort zijn dat het zolang in myn schoot heeft kunnen overleven. Als daaruijt geen jongen geboren gaat worden! Ick ben nu één maand in bleijde verwachtingh en ons kindje zal komen in Augustus. Hopelick bent U dan al weerom in Holland! (…)

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie