Treinrit met aftrek

De bezwete wielrenner die met zijn fiets instapte op station Heemstede-Aerdenhout had een shirt aan met de tekst “BORA hansgrohe”. Zijn haar stond woest alle kanten op en over zijn voorhoofd liep een zwarte veeg. Zijn fietsschoenen, ooit wit, waren bemodderd. Op beide knokige knieën waren pleisters geplakt, de linker had half losgelaten. Zoals een geroutineerd wielrenner betaamd, had hij zijn benen trouwens geschoren. Nadat hij verschillende keren had gecontroleerd of zijn fiets stabiel genoeg stond, nam hij plaats op het klapstoeltje tegenover mij.

Ik was ook met de fiets, eentje met een mandje voorop dat ik had opgeleukt met een slinger van plastic bloemen. Anders dan de robuuste racefietser was ik een dame die een recreatietochtje zou gaan maken via een knooppuntenroute. Ik had er een kort zomerjurkje voor aangetrokken, zodat mijn eveneens onthaarde benen wat konden bijbruinen. Ook ik had een pleister, een kleintje op mijn enkel. Tot zover onze overeenkomsten.

Het klapstoeltje van de NS was niet echt berekend op het lange lijzige wielrennerslichaam. Hij hing ongemakkelijk onderuit, terwijl hij zijn fietshandschoentjes uittrok. Vervolgens haalde hij uit een zakje op zijn rug een banaan tevoorschijn die hij hoorbaar smakkend naar binnen werkte. Pas toen hij het ding vrijwel geheel verorberd had, kreeg hij in de gaten dat ik keek.

‘Ook een stukje?’ grijnsde hij en stak de schil met het restant van de banaan in mijn richting.

Het onverwachte en aangevreten aanbod was niet echt serieus te nemen, maar ik verraste de fietser en vooral mezelf door ‘ja’ te zeggen, peuterde het stukje uit de schil en stak het in mijn mond.

‘Banaan, gaat er altijd in.’ Hij veegde zijn mond af met de rug van zijn hand en spreidde zijn voeten op de vloer om steviger te zitten. ‘Ook fietsen?’ Hij knikte naar mijn fiets.

‘In de duinen, bij Den Haag,’ antwoordde ik.

‘O, toevallig, ik ook. Ik fiets vandaar terug naar Haarlem.’ Hij reikte naar de prullenbak om de bananenschil te droppen. ‘Alleen?’

Ik knikte. ‘Jij ook?’

‘Ik zoek nog een maatje, maar ik denk niet dat we aan elkaar gewaagd zijn.’ Zijn bulderende lach vulde het compartiment.

‘Ik geef je binnen de kortste keren het nakijken.’ Ik gaf hem mijn ondeugende blik en streek en mijn jurk glad.

‘Met jou voorop kom ik wel achter je aan.’ Hij knipoogde. ‘Doe ik extra mijn best je bij te houden, tot Haarlem aan toe. Een wortel die de ezel op gang houdt.’ Zijn smile ging van oor tot oor.

‘Dank voor het compliment. Ik ben nog niet eerder met een wortel vergeleken.’

Opnieuw galmde zijn lach door de trein. ‘Nou, je bent ik elk geval niet voor de poes.’

Hij pakte zijn bidon en lurkte aan het tuitje. Vanuit zijn ooghoeken loerde de fietser naar mij.

‘Ook een slokje?’

‘Je bent van het delen.’ Ik pakte de fles aan en dronk van het lauwe water.

‘Je bent anders niet vies van anderen.’ Hij keek aandachtig hoe ik dronk. ‘En je hebt dorst.’

Bij het uit mijn mond nemen van de tuit spoot een straaltje in mijn decolleté. Ik voelde het tussen mijn borsten door naar beneden sijpelen.

‘Je kunt je nog inschrijven voor de cursus bidondrinken.’ Het was flauw, maar ik kon mijn lachen niet inhouden.

‘Kan ik je niet ’s uitnodigen voor een ander drankje? Een biertje in de Jopenkerk, wat dacht je daarvan. Trek je dat mooie witte zomerjurkje aan.’

‘Vind je het leuk?’ Ik streek de stof weer glad.

‘Vooral als je dat doet, als je zo strijkt. Dan, nou, ja, dan komt alles goed tot zijn recht zal ik maar zeggen.’

Bij het overhandigen van zijn bidon raakten onze handen elkaar. Het was een detail dat hem leek te ontgaan. Hij wees naar de fles.

‘Kijk wat je met mijn bidon hebt gedaan, lippenstift.’

‘Sorry.’

‘Geeft niet.’ Hij had pretoogjes en kraaienpootjes, witte huidplooitjes in een verder bruin gezicht. Terwijl hij zijn bidon terugplaatste, zette ik mijn voeten wat verder uit elkaar, trok mijn jurk iets op en staarde quasi nonchalant naar buiten. Ik wist wat hij kon zien, ik wist ook dat hij het zag. Hij bleef stil, opmerkelijk voor zo’n kletskous. Ik liet ruim een minuut voorbijgaan voor ik de fietser weer aankeek.

‘Is dat nu een zalm- of perzikkleurig slipje?’ Hij bleef ongegeneerd tussen mijn benen kijken.

‘Wat vind jij? Is perzik misschien het meest toepasselijk?’ Ik streek mijn vingers langs de binnenkant van mijn dijbeen. Van mijn knie tot waar het vlees zacht werd. Gelijkertijd ging hij verzitten. Zo dat zijn racebroek in beeld kwam. Dat ik nu pas zag dat daar een enorme bobbel in verborgen zat.

‘Je fietspompje?’

‘Ja, haha, je weet maar nooit of het van pas komt.’

‘Valt er iets te pompen?’ Mijn vingers gleden over de zachte stof van mijn broekje.

‘Het rijdt beter met een harde band.’

‘Harde band.’ In mijn stem zat een merkwaardig snikje.

‘Wat heb je voor ventiel?’

‘Een ventiel met een knopje.’ Mijn wijsvinger duwde tegen het katoen.

‘Een knopje? Wat voor knopje?’ Zijn pompje was een pomp geworden.

‘Een speciaal pompknopje.’

‘Ik denk dat het gaat passen. Mijn pomp op jouw ventiel, bedoel ik.’ Hij had een blos gekregen.

‘Het materiaal is universeel, toch?’ Ik bleef naar zijn wielrennersbroek kijken. De elasticiteit liet behoorlijk wat toe. Hij zag mij kijken, ongegeneerd schikte hij de boel. Het stond nu rechtop.

‘Waar pomp jij meestal in de trein?’ Zijn voorhoofd vertoonde denkrimpels.

‘Ik pomp nooit in een trein.’ Mijn wijsvinger schoof nu achter de stof.

‘De wc?’

Ik schudde mijn hoofd, streelde mezelf, trok mijn vinger tevoorschijn. ‘Daar plas ik.’

Hij knikte begripvol. Liet zijn hand over de bobbel gaan, van onder naar boven en terug. Zelfs de verdikking van de top was duidelijk te zien. En onderin geprononceerde bolvormige joekels.

‘Maar je wilt toch dat ik er wat lucht in blaas?’

‘Mmm.’
‘Maar waar kunnen we dat dan doen?’

‘Kweenie.’ Ik duwde de stof een beetje naar binnen. Zette mijn voeten nog verder uit elkaar.

‘Verdomme, vrouw, doe dat niet!’ Hij schrok van zijn eigen volume. Had zijn hand stevig om de pomp gelegd. ‘Waar is het dichtstbijzijnde toilet.’

‘Mmm.’ Ik verplaatste beide handen naar mijn voorgevel. Likte omstandig mijn lippen.

‘Jezus!’ Het stoeltje klapte met een knal tegen de wand toen hij overeind kwam. Hij was lang, hij was groot. Hij was enorm groot, zeker nu hij was gaan staan. Er was nog geen 40 centimeter tussen die grootsheid en mijn gestifte tuitende lippen.

‘Hier dan maar gewoon?’ Er klonk iets van wanhoop in zijn stem. Hij keek naar voren en achteren de trein door. ‘Er is nu niemand.’

Ik bracht mijn hoofd nog iets verder naar voren. Er restten misschien nog 10 centimeter. Het ding bewoog. Het sprong juichend op. Gewoon omdat het niet anders kon. Ik blies.

‘God, mens, er moet iets gebeuren.’

‘We stoppen zo in Leiden.’

‘Daar dan? In de wc?’

‘Wat heb jij met wc’s?’ 5 centimeter. De beweging voorwaarts zag ik aankomen. Ik deinsde achteruit.

De trein begon te remmen. We reden door een bedrijventerrein. Langs een school, een tennisbaan.

De wielrenner was weer gaan zitten. Zijn broek was nog net zo gevuld. Het moest knellen.

‘Geen onderbroek?’

‘Nee. Het zeemleer direct op de naakte huid.’

‘Zal ik solidair zijn?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Geen onderbroek.’

De trein was bijna gestopt. Het halletje vulde zich met reizigers. De racer raakte even uit zicht. Iedereen was gefocust op het naderende perron en de deur die elk moment open kon gaan. In dat onbewaakte ogenblik tilde ik mijn billen op en liet mijn slipje zakken. Het voelde als bevrijding.

De rust keerde weer. Er klonk een fluitje, de trein trok op.

‘Dat was Leiden.’

‘I know.’ Ik opende mijn hand waarin het slipje zich opende als een bloem.

‘Wat? Dat meen je niet!’

Het belandde op zijn knie met de loshangende pleister. Hij keek ernaar alsof er vogeltje was geland, pakte het op en trok de stof strak tussen zijn wijsvingers. Hij bracht het naar zijn gezicht en snoof.

‘Uw vervoersbewijs, alstublieft.’

De conducteur stond er opeens. Of hij opmerkte dat de wielrenner zijn neus in een slipje stak of in een zakdoekje bleef onduidelijk. Hij was geïnteresseerd in ov-kaarten, meer niet. Wat zijn passagiers uitvraten moesten zij weten, als het maar niet onbetamelijk werd. Dat was het niet. Nog niet.

‘Veel plezier nog.’ Het klonk suggestief, maar het kon ook zijn standaardfrase zijn.

Zodra de kaartjesknipper verdween, nam ik mijn positie weer in: benen uit elkaar, jurk iets omhoog.

De ogen van de wielrenner puilden uit bij het zien van mijn naakte kruis. Dat het een goddelijk kruis was, wist ik, ik was verslaafd aan de spiegel, maar dat het ook in staat was tot betovering of hypnotisering was nieuw voor me. Of nee, eigenlijk ook weer niet, ik kende de aanzuigende werking van de vagina. Het was een gevaarlijk gat, een verraderlijke mui die je een zee van geil in trok.

Met gebogen rug en open mond staarde Zoetemelk naar mijn lippen. Hij kwijlde net niet en het duurde minutenlang voor hij weer bij zinnen kwam.

‘Gossiemikkie,’ brabbelde hij en beet in het kruis van mijn slipje. Zijn rechterhand had hij in zijn broek gestopt waar het weinig moeite kostte zichzelf te vinden. Zijn sjorren was roekeloos en onbeheerst, maar hij had alleen nog maar aandacht voor het heerlijkheidje onder mijn jurk. Ze raakte steeds meer onder invloed van oestrogeen, ze produceerde overvloedig nattigheid. Ik hoefde niet te kijken om te zien dat ze glinsterde van het vocht.

Wielrenner was duidelijk van het type sprinter. Hij trok alsof zijn leven er vanaf hing. Ik zou hem een laatste zetje geven en liet een, twee, drie vingers naar binnen glibberen. Het was aangenaam, plezierig, prettig, fijn. Tegenover me was het sjorren gestopt. In plaats daarvan bracht de fietser ongenuanceerde keelklanken voort. Zijn pomp schokte in zijn broek die meteen een donkere plek vertoonde die met de seconde groeide. De hand die hij uit zijn broek trok, was bedekt een slijmerige substantie die hij aan zijn shirt smeerde. Zijn kop was knalrood, zijn mond stond open, zijn blik was verre van fris.

‘Ga je Haarlem nog wel halen?’ vroeg ik, terwijl ik mijn jurk fatsoeneerde.

‘Haarlem?’ Hij keek onwezenlijk. Alsof hij water zag branden.

‘Ja, je gaat toch terugfietsen?’ Ik likte even aan mijn vingers.

‘Ik weet het niet,’ zuchtte Kneteman. ‘Ik weet het echt niet.’

Op station Den Haag Centraal stapte ik uit en reed de stad in. Het was lekker buiten. Heerlijk in mijn blote kontje op de fiets. De racefietser heb ik niet meer gezien. Jammer.

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie