Atlantis

1. De ontmoeting

Zo vroeg op de ochtend is het strand nog verlaten. Ik ben, samen met een paar meeuwen, het enige levende wezen op de lange, smalle zandstrook. Met mijn slippers in de hand, loop ik langzaam op de onduidelijk gedefinieerde grens tussen oceaan en land. Soms is het water tientallen meters bij me vandaan. Ogenblikken later breekt een golf met luid geruis en omspoelt het uitlopende koude water mijn voeten.

Ik heb de nacht doorgehaald. Gefeest tot het licht werd. Urenlang heb ik gedanst met Alain, een goedgebouwde fransman. Plots was hij verdwenen. Jammer. Ik bleef achter, op zoek naar een nieuw slachtoffer. Zonder succes.

Ergens in de vroege uurtjes had ik een dip, maar nu ben ik over mijn vermoeidheid heen. Daarom ben ik niet teruggegaan naar de camping. Een lekkere wandeling in de koele ochtendlucht, voordat de zon weer ongenadig begint te branden, doet me goed.

Ik kijk naar mijn voeten. Naar het water dat uit het natte zand opwelt bij iedere stap die ik zet. Naar het witte schuim op de golven die om mijn enkels spoelen. Naar de babykrabjes die razendsnel opzij wegrennen als ik er aan kom. Het getinkel van de belletjes aan mijn enkelkettinkje is het enige geluid, naast het geruis van de golven en een enkele vogelkreet. Urenlang kan ik dit volhouden, het is steeds hetzelfde en toch elke keer weer anders.

Het koude water om mijn voeten, de koele ochtendwind om mijn blote benen, de eerste zonnestralen op mijn gezicht. Het is genoeg om een zacht verlangen tussen mijn dijen te wekken. Ik fantaseer hoe het zou zijn als ik nu Alain zou tegenkomen. Hoe we langzaam op elkaar af zouden lopen. Hoe we in elkaar’s armen zouden glijden. Hoe we elkaar de kleren van het liljf zouden rukken en ons naakt tegen elkaar aan zouden drukken.

Ik ben zo in mijn fantasie verdiept dat ik haar pas opmerk als ik al vlakbij ben. Ze zit stil, tot haar middel in het water. Het enige wat ik zie is een blote rug en lange blonde haren. Als ik dichterbij kom, valt het me op dat er nergens op het strand een hoopje kleren te zien is. Ze zal toch niet naakt helemaal van het dorp hierheen gewandeld zijn?

Als ik mijn lijn vervolg zal ik haar op tien, vijftien meter afstand passeren. Zal ik doorlopen? Of stoppen en een paar woorden met haar wisselen? Eerst maar even kijken hoe ze reageert als ze mij ziet. Misschien heeft ze geen behoefte aan gezelschap.

Als ik vlakbij ben, kijkt ze over haar schouder. Ze glimlacht.

“Hallo, Anna. Ik had je al verwacht.”

Ik blijf stokstijf stil staan.

“Hoi… hoe weet je hoe ik heet? Hoe wist je dat ik hier langs zou komen? Ik wist dat zelf een uur geleden nog niet eens.”

Haar stem heeft een muzikale klank. Ze spreekt Engels met een accent dat ik niet thuis kan brengen. Het klinkt een beetje zangerig, als een Israëlische, maar de uitspraak van de woorden doet eerder aan een Russische denken.

“Kom bij me zitten,” vraagt ze vriendelijk. Ik voel hoe mijn voeten langzaam in het drassige strand wegzakken. Als het zand mijn tenen al bedekt, zegt ze:

“Ik kan niet bij jou komen.”

Waarom niet? Ik snap er niets van. Nieuwsgierig geworden trek ik mijn voeten één voor één uit het zuigende zand en waad ik naar haar toe.

De schok is groot als ik haar staart zie. Een zilverachtig glanzende vissenstaart, zeker drie meter lang. Mijn hart klopt wild: dit is het vreemdste wat ik ooit heb meegemaakt.

“Mijn staart mag niet uitdrogen,” verklaart ze, op een toon alsof het de gewoonste zaak van de wereld betreft.

“Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat doe je hier?” nog veel meer vragen wellen in me op.

Ze glimlacht begrijpend om mijn verwarring.

“Ik ben Mwoaala. Mijn land is daar.”

Ze knikt vaag in de richting van de zee.

Haar mensenhuid, vanaf vlak onder haar navel naar boven, is zongebruind. Ze heeft prachtige borsten, stevig als van een twintigjarige. Ook haar gezicht en lichaam wekken de indruk dat ze jonger is dan ik. Maar in haar ogen lees ik de wijsheid van vele jaren.

2. Op weg

“Kom, laten we gaan zwemmen.”

Het is de klank van haar stem… zo verlokkelijk verleidelijk…, ik heb al ingestemd voor ik me realiseer wat ik doe. Maar ach, waarom ook niet. Niets is immers zo lekker als in de golven spartelen in de vroege ochtendzon.

“Kleed je maar even uit,” dringt Mwoaala aan als ik me niet beweeg.

“OK, dat is goed.”

Ik loop het strand weer op, tot een meter of tien vanaf de waterlijn, In een ondiepe kuil laat ik mijn slippers vallen. Ik leg mijn tasje er op. Snel doe ik mijn sieraden in het tasje. Alleen mijn enkelkettinkje houd ik om. Ik merk op dat Mwoaala aandachtig toekijkt als ik mijn shorts laat zakken en daarna ook mijn broekje. Die leg ik op de andere spullen. Daar overheen drapeer ik mijn shirtje.

Ik aarzel een moment. Kan ik mijn spullen hier veilig laten liggen? Mijn mobieltje en een beurs met meer dan honderd euro? Ach, wat zou het. In beide richtingen is zo ver ik kan zien niemand op het strand.

Ik loop al weer bij mijn kleren vandaan. Mwoaala kijkt me strak aan. Plotseling bedenk ik me. Ik ga terug, pak mijn mobieltje uit de tas en tik snel een SMS:

‘ben zwemmen m nwe vrndin. l8r’

Dan stop ik het mobieltje terug en waad ik naar Mwoaala. Ze steekt een hand uit en kijkt me vragend aan:

“Mag ik?”

Ik begrijpt niet goed wat ze wil. Aarzelend legt ze een hand op mijn kuit. Zachtjes strelend gaat hij naar boven.

“Wonderlijk,” fluistert ze. “Ik begrijp niet hoe jullie dat doen…”

“Wat?”

“Staan, lopen… Onbegrijpelijk dat je niet omvalt.Als je je hele leven een vissenstaart hebt gehad, zijn benen iets vreemds. Misschien zoals het voor jou zou zijn als er een buitenaards wezen voorbij kwam wandelen.”

“Of als plotseling een zeemeermin uit de golven zou opduiken…?”

Ik gun haar de tijd om mijn benen te onderzoeken. Ik zet mijn voeten wat uit elkaar om steviger te staan in de golven. Ze laat haar hand ook even strelend over mijn billen glijden. Naar mijn kut kijkt ze wel, een beetje verlegen, maar ze laat haar vingers er ver vandaan.

Dit moet inderdaad vreemd voor haar zijn. Voor mij is het net zo vreemd. Vlak onder haar navel beginnen de schubben, zilverglanzend. De staart ligt in een vloeiende boog in het water, glad, zonder onderbrekingen. Geen zichtbare geslachtsorganen, niets.

Dan zegt ze:

“Kom, we verdoen onze tijd.”

Met een krachtige slag van haar staart duikt ze het water in. Een twintigtal meters verder wacht ze op me. Ik zwem haar achterna. Als ik vlak bij haar ben, geeft ze weer zo’n krachtige slag. Meteen is ze weer tien meter bij me vandaan. Dat herhaalt zich een paar keer, dan zegt ze:

“Kom, geef me een hand, dan gaan we sneller.”

Ze grijpt me stevig bij de pols. We gaan inderdaad sneller. Mwoaala zwemt met krachtige slagen. Ik surf over de golven met de snelheid van een speedboot. Binnen enkele ogenblikken zijn we meer dan vijfhonderd meter van het strand. Ik weet niet of ik zonder haar hulp wel terug zou kunnen komen, door de stroming heen naar het strand. Toch maak ik me geen zorgen. Op de een of andere manier weet ik dat ik haar vertrouwen kan. Zij zal zorgen dat me niets overkomt.

Op het moment dat ik dat denk, duikt ze onder, de diepte in. Ze trekt me mee, tot vlak boven de zandige bodem. ‘Een spelletje, we gaan zo weer naar boven,’ denk ik eerst. Niets daarvan. Een golf van paniek trekt door me heen, als de zuurstof in mijn lichaam uitgeput begint te raken. Ik probeer me los te rukken, maar Mwoaala houdt me stevig in haar greep.

3. De reis

De pijn in mijn longen wordt ondraaglijk, maar valt in het niet bij de pijn die lager zit, ter hoogte van mijn lendenen. De laatste gedachte voordat het helemaal donker wordt, is aan mijn vriendinnen. Wat zullen ze denken? Ze zullen zich niet zo snel ongerust maken, ik blijf wel eens vaker een poosje weg. Maar wat als mijn spullen op het strand gevonden worden? Als ik dan in wijde omtrek niet te bekennen ben?

‘Wie had dat gedacht, ze was zo’n levenslustig type…’

Dan vullen mijn longen zich met fris, zilt, zuurstofrijk zeewater. Het wordt weer licht om me heen. Prachtig blauwgroen licht. Felgekleurde vissen zwemmen nieuwsgierig voorbij.

“Sorry,” verontschuldigt Mwoaala, “dat moest even.”

Ze is dertig meter bij me vandaan. Ze praat zonder haar mond te bewegen, vanuit haar geest rechtstreeks naar mijn geest. Ik zwem er met twee krachtige slagen van mijn staart heen. Ze neemt mijn hand weer en zegt

“Gaat het weer?”

“Nu wel weer. Het was vreemd, ik dacht even dat ik…”

Ik bekijk mezelf. Mijn staart is werkelijk prachtig. Zilverglanzend, met een schitterende groenachtige waas. Lang. Met die staart ben ik plotseling bijna vier meter lang. Al die mensen die me altijd ‘kleintje’ noemen, zouden me nu eens moeten zien.

“Kom, we gaan weer,” dringt Mwoaala aan.

Ze hoeft me nu niet meer te trekken. Ik kan haar met gemak bijhouden, al heb ik het gevoel dat Mwoaala als het moet nog veel sneller kan. Verbaasd kijk ik naar de wonderlijke onderwaterwereld die aan me voorbijtrekt. Prachtig gekleurde vissen, wuivende zeeanemonen, een paar haaien die ongeïnteresseerd met hun wrede koppen in onze richting kijken. Een groepje dolfijnen dartelt een tijdje vrolijk met ons mee. Ze buitelen door het water en soms verdwijnen ze even, onzichtbaar voor ons, boven de golven.

“Kom mee,” zegt Mwoaala, als ze zich klaar maken voor een volgende duik uit het water. Ze zet aan en volgt de dolfijnen. Snel adem ik diep in en schiet ik er achteraan. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het plotselinge felle zonlicht, maar de lucht voelt heerlijk warm. Toch is het ook lekker om weer in het koele zeewater te duiken. Ik adem opnieuw in en we dartelen opnieuw met de dolfijnen door de golven heen om meters verder weer terug te plonsen. Ik krijg het ritme steeds beter te pakken.

“Schip in aantocht,” zegt Mwoaala. “Kom, we gaan diep.”

We nemen snel afscheid van de dolfijnen, die in de richting van het schip zwemmen. Als ik Mwoaala de diepte in volg, wordt het geluid van de golven steeds zachter. In plaats daarvan komen andere geluiden. Geluiden van de zee. Als we even pauzeren, hoor ik ze nog beter. Het ‘swishswish’ van een school zilverachtige visjes die voorbij zwemt. Een enorme tonijn die een veel dieper ‘wooeesj’ maakt. Garnalen die over de boden krabbelen. Maar wat me het meeste intrigeert is een diep gerommel, dat van heel ver schijnt te komen. Het is meer een gevoel dan een geluid, zoals de diepste bassen van een popconcert.

“Parende walvissen,” zegt Mwoaala. “Bij Antarktis.”

“Antarktis? Bedoel je de Zuidpool? Maar dat is meer dan tienduizend kilometer hier vandaan.

“Geluid draagt ver onder water.”

“Ik wil niet weten hoe dat klinkt als je er dicht bij ben. Hoe lang duurt de paartijd van walvissen?”

“In de winter en het vroege voorjaar, volgens mensenbiologen. Maar bultruggen trekken zich daar niets van aan.”

‘Geile donders,’ denk ik. Mwoaala lacht.

We zwemmen weer verder, snel als torpedo’s door het water. Uur na uur. Mwoaala lijkt onvermoeibaar. Ik begin mijn staart steeds meer te voelen, maar ik laat me niet kennen. Zo lang de walvisseks aan bakboord is, weet ik dat we naar het westen zwemmen.

Dan laat Mwoaala zich uitdrijven. Ze draait een langzame cirkel, alsof ze wil kijken of de kust veilig is. Plotseling duikt ze de diepte in. Ze verdwijnt in een opening tussen een paar grote rotsen. Snel ga ik haar achterna, bang om haar kwijt te raken.

4. Atlantis

Ik kijk nergens meer van op, dus ook niet van een zeemeerman, die in een ruimte tussen de rotsen op ons wacht. Gedimd zonlicht filtert door openingen in de rotsen en zorgt voor een sfeervolle, gezellige atmosfeer. De man slaat zijn arm om Mwoaala’s schouders in een gebaar waar diepe genegenheid uit spreekt.

“Welkom,” zegt de zeemeerman, “ik ben blij dat je gekomen bent, Anna.”

Net als Mwoaala, spreekt hij geluidloos. Hij heeft een prachtige, diepe stem.

“Ik geloof niet dat ik veel keus had,” zeg ik, niet helemaal terecht.

“Dat klopt… en daar wil ik mijn welgemeende excuses voor aanbieden. Je zult begrijpen dat het voor ons lastig is om een uitnodiging per post te sturen en, om eerlijk te zijn, we waren bang dat je daar niet op in zou zijn gegaan.”

Daar zou hij best eens gelijk in kunnen hebben.

“Maar je kunt ervan verzekerd zijn, dat we ervoor zullen zorgen dat je heelhuids weer terugkomt vanwaar Mwoaala je gehaald heeft.”

Wanneer dat zal gebeuren, laat hij in het midden.

“Maar kom, ik vergeet door de opwinding alle beleefdheidsvormen,” zegt de man, terwijl hij naar een hoek van de ruimte zwemt.

“Het gebeurt niet vaak dat we bezoekers van boven krijgen,” voegt hij er als verklaring aan toe.

Hij komt terug met twee voorwerpen, ongeveer de vorm van aubergines, maar met een diepblauwgroene kleur. Eén ervan geeft hij aan Mwoaala. De andere strekt hij met beide handen naar mij uit.

“Nogmaals welkom ,” zegt hij. “Welkom in Atlantis, welkom in onze woning. Mijn naam is Mwaaquül.”

Ik neem het voorwerp van hem aan. Hij sluit zijn handen om die van mij. Een vreemde, opwindende sensatie gaat door mijn lichaam bij dit eerste fysieke contact tussen hem en mij. Een merkwaardig onbekend en toch heel vertrouwd gevoel. Ik kijk hem aan. Zijn haar is lang en blond als dat van Mwoaala. Zijn bovenlichaam is gespierd als van een jonge atleet. Zijn staart is langer dan die van mij en Mwoaala en heeft een blauwachtig zweem. Als ik in zijn groene ogen kijk, zie ik de raadselachtige diepten van een ver verleden. Ik zou verliefd op hem kunnen worden.

Hij glimlacht, alsof hij die gedachte al gelezen heeft, voordat hij goed en wel tot mijn eigen bewustzijn is doorgedrongen.

“Drink,” zegt hij. Dit zal je sterken na de lange reis.

Mwoaala zet de steel van de kolf aan haar lippen en zuigt. Ik volg haar voorbeeld. De vloeistof die er uitkomt heeft een flauwe, delicate smaak. Zoet en zilt tegelijk. Zodra de eerste slok mijn maag bereikt, glijdt de vermoeidheid van me af.

“Atlantis,” zeg ik. “Ik dacht dat dat een verzinsel was.”

“Dat is het ook,” lacht Mwaaquül, “een verzinsel van jullie aardmensen. Wij gebruiken het als naam van onze thuiszee, hier om ons heen.”

Hij brengt ons elk nog een kolf.

“Zeemeerminnen, daar zijn wel verhalen en legendes over,” zeg ik. “Zeemeermannen, daar hoor je eigenlijk nooit over.”

“Het juiste woord is ‘meerman’. En ‘meervrouw’ of ‘meermin’, zegt Mwoaala. Meermannen zijn nogal huiselijk. Ze komen zelden aan de oppervlakte en eigenlijk nooit aan de kust. Maar je kent Neptunus toch, of Poseidon, de god van de zee. Die wordt vaak als meerman afgebeeld.”

“Soms. Vaker niet dan wel, als je het mij vraagt.”

“Tja, dat is dan de bevooroordeelde blik van het landvolk.”

5. Mwoaala’s verhaal

Als onze kolven weer leeg zijn, zegt Mwaaquül:

“Zo, nu laat ik jullie een poosje alleen. Dan kunnen jullie uitrusten. Jullie hebben vast ook veel te bespreken.”

Met die woorden trekt hij zich terug. Mwoaala neemt me mee naar een hoek van de woning. Een rustige, opwaartse stroom van friszilt zeewater maakt het ons makkelijker om te blijven zweven. Wat een vreemde wereld is dit toch. Vreemd, maar op een of andere manier ook heel vertrouwd. Waar zouden we zijn? Hoe ver van de dichtstbijzijnde kust?

Terwijl ik zo aan het mijmeren ben, merk ik dat ik onbewust steeds mijn vingers over mijn nieuwe lichaamsdeel laat glijden. Over de schubben. Soepel en glad zijn ze, maar als je tegen de draad in strijkt hebben ze vervelende, harde randjes. Ik probeer ook de rest te voelen en ontdek dat ik alleen het bovenste deel gemakkelijk kan bereiken. Om bij het volgende stuk te komen moet ik mezelf in een oncomfortabele kronkel leggen en ook bij de vin aan het einde van mijn staart kom ik slechts met moeite.

Ik zweef naar Mwoaala en laat mijn handen over haar staart glijden. Schuchter laat ze het toe, zoals een puber op zeilkamp die door haar kamergenotes onder de douche wordt gezet. Vanochtend, toen we elkaar voor het eerst ontmoetten won haar nieuwsgierigheid het van die verlegenheid; toen wilde ze graag mijn mensenbenen voelen. Nu wil ik haar meerminnenstaart voelen.

Hij is glad, soepel en vol leven. Niet kil en hard, zoals ik me een vissenstaart, of liever een vis, altijd voorstelde. Andere emoties voel ik onder die laag van verlegenheid opkomen. Opwinding, maar vooral ook schaamte. Mwoaala bloost.

Ook bij mezelf voel ik opwinding. Kriebel in mijn kut. Als ik een kut zou hebben. Ik dacht dat die verdwenen was in dat ene donkere moment vlak nadat we het strand verlieten. Maar nu voel ik dat er toch iets is. Ik kijk naar Mwoaala en dan naar mezelf. Te zien is er niets.

“Het is er wel,” fluistert Mwoaala, “maar het is verborgen.”

Ja, nu wil ik het weten ook. Ik laat mijn hand naar de plek glijden waar dat gevoel zit. Ik kan er maar net bij, het zit lager dan ik gewend ben. Als vanzelf vind ik het: een huidplooi, een flap. Ik steek mijn vingers er onder. Ik vind een tweede flap. Als de twee delen van een overslagrok liggen ze over elkaar heen. Onder de tweede flap vind ik wat ik zoek. Gevoelig, veel gevoeliger dan ik gewend ben. Een klit kan ik niet ontdekken, het lijkt wel of het gehele orgaan net zo vol met gevoel is als gewoonlijk dat ene kleine knopje. Het is ook kleiner en de ingang is veel nauwer.

Ik ben nog lang niet klaar met mezelf te ontdekken, maar ik merk dat ik Mwoaala erg in verlegenheid breng, dus ik trek mijn hand terug. De buitenste schaamplooi strekt zich weer. Het is zo goed als onmogelijk te onderscheiden waar net de opening nog was.

“Ik weet dat het bij mensen heel gewoon is om zichzelf daar aan te raken… ” zegt ze.

“Niet bij alle mensen hoor,” fluister ik terug.

“… bij ons ook niet.”

Als ik verder ga haar staart te strelen, zegt ze:

“Het is bij ons ook heel ongewoon dat twee vrouwen elkaar intiem aanraken.”

“Valt dit al onder ‘intiem’?”

“Eigenlijk wel ja. Ik weet ook wel dat jij wel regelmatig met vrouwen samenkomt. Met vrouwen én met mannen. We willen je graag de gelegenheid geven ons beter te leren kennen, dus is het logisch dat ik je de kans geef je nieuwsgierigheid te bevredigen.”

Behalve mijn nieuwsgierigheid zal er voorlopig niets bevredigd worden, dat is wel duidelijk.

“Hoe weet je al die dingen over mij?” vraag ik, want vooral daarnaar ben ik heel benieuwd. “Hoe weet je dat ik met vrouwen vrij? Hoe wist je hoe ik heet? Hoe wist je dat ik op dat strand zou zijn?”

Mwoaala kijkt me met een schuldige blik aan.

“Ik weet nog veel meer van je,” fluistert ze. “Als onze nood niet zo hoog was, was het nooit gebeurd, maar… Je hebt inmiddels gemerkt dat wij zonder woorden met elkaar kunnen communiceren. We kunnen dat ook over grote afstanden. Mwaaquül en ik volgen je al een poosje. Voor jouw begrippen al heel lang. Van dat je een kleuter was.”

“Alleen mij? Of volgen jullie alle mensen?”

“Nee, niet allemaal, daar zouden we gek van worden. Zoals er van ons meermensen veel te weinig zijn tegenwoordig, zo zijn er veel te veel aardmensen. We volgden een klein groepje vrouwen. Daarvan vielen er steeds meer af, tot alleen jij over bleef.”

“Waarom alleen ik?”

“Zoals gezegd, we volgen je al lang. Al vanaf dat je een peuter was. We leerden je karakter kennen, je vrolijkheid, maar ook je eigenzinnigheid. We weten van de omgeving waarin je leefde, van je verblijven in andere landen, andere culturen. We merkten hoe geïnteresseerd je bent voor die andere culturen, hoe je je er voor openstelt.”

Het unheimische gevoel bekruipt me dat ik ken van een bezoek aan de waarzegster op de kermis, die ook meer over me in haar kristallen bol leek te zien dan me lief was. Maar de waarzegster beperkte zich tot algemeenheden die meer met mensenkennis te maken hadden, dan met bovennatuurlijke gaven. Mwoaala weet dingen van me die weinig anderen weten:

“We volgden je die keer op het strand, niet ver van de oude stad Marsillia…”

Marsillia… Marseille. Ik weet precies wat ze bedoelt… vijftien was ik…

“En die andere keer, precies een jaar later, daar vlakbij… toen jij de prooi was die zich maar al te graag liet vangen…”

“Sophie…”

Met een diepe zucht denk ik aan die nacht. Ik begrijp dat ze nog een hele tijd door zou kunnen gaan, maar een andere vraag brandt mij inmiddels op mijn lippen:

“Is het alleen bij volgen gebleven, of…”

“Bijna… maar niet helemaal. Een enkele keer hebben we een gedachte in je geest geplant, of je op andere manier beïnvloed. Je herinnert je die keer nog wel toen je plotseling heel erg misselijk werd terwijl je op het punt stond met een man mee te gaan…”

Dat herinner ik me nog heel goed. Die misselijkheid kwam wel heel plotseling op. Ik weet het toen aan een combinatie van drank en vet eten, hoewel ik daar anders nooit last van heb. Op dat moment baalde ik er ontzettend van, want ik was beregeil en ik had zin in ongeremde, wilde seks. Die kans was verkeken, de eikel wist niet hoe snel hij zich uit de voeten moest maken. Achteraf gezien was het wel een heel erg foute vent en was ik blij dat ik van hem af was.

“Soms is een kleine fysieke beïnvloeding gemakkelijker dan te proberen door je koppigheid heen te breken,” glimlacht Mwoaala.

“En de gedachte om naar het strand te gaan vanochtend, die heb je ook ‘geplant’?”

Ze knikt. Glimlachend vraagt ze:

“En wie stelde gister voor om naar de stranddisco te gaan, in plaats van naar jullie favoriete stek in het centrum van de stad? Wie was het die een vakantie aan de Atlantische kust voorstelde, in plaats van aan de Middellandse Zee?”

Inderdaad, dat was ik. Tot verbazing van mijn vriendinnen en met een voor mij ongewone drammerigheid. Hun bezwaren dat het zeewater hier veel kouder is dan bijvoorbeeld in de Middellandse Zee – anders voor mij altijd een belangrijk argument – waaide ik allemaal weg. Alles wordt opeens duidelijk voor me. Het zou me niet verbazen als Mwoaala ook achter de plotselinge verdwijning van Alain zit.

Dicht bij elkaar zweven we een tijdlang op de trage opwaartse stroming. Ik heb tijd nodig om te verwerken wat Mwoaala me vertelde. Ik heb ook nog heel veel vragen. Zonder ze te hoeven stellen, komen de antwoorden als vanzelf in mijn geest bovenborrelen. Dan beginnen mijn ogen dicht te vallen. Vermoeidheid maakt zich van me meester.

6. De avond valt

Ik weet niet hoeveel uren er voorbij gegaan zijn als ik weer wakker wordt. Mwoaala zweeft nog steeds bij me in de buurt. Een minieme beweging van mijn staart brengt me vlak bij haar. We omarmen elkaar. Ik voel het diepe verdriet in Mwoaala’s binnenste. Verdriet dat direct verband lijkt te hebben met mijn aanwezigheid hier. Ze wappert met haar hand voor haar gezicht.

Even kijk ik verbaast naar dat gebaar, dan begrijp ik wat het is. Hier, onder water, kunnen tranen niet biggelen. Ze zweven eenvoudig voor je ogen. Ik voel hoe ook bij mij de tranen beginnen te stromen. Mijn tranen, nog zilter dan het water om me heen, maken het water troebel. Ze maken dat ik niet scherp meer kan zien. Automatisch maak ik hetzelfde wapperende gebaar. Het is vreemd en komisch tegelijk en Mwoaala en ik lachen door onze tranen heen.

“Het is lang geleden dat ik een volwassen vrouw heb vastgehouden,” zegt Mwoaala. “Lang geleden, Toen Mwani-ta en Mwine-ke nog leefden, en Mweli en Mwioone…”

Mwaaquül’s andere vrouwen weet ik, voordat ik de vraag gesteld heb. We houden elkaar lang vast. Meer kan ik niet doen om haar te troosten.

Zo vind Mwaaquül ons. Hij knikt, alsof hij zeggen wil: ‘zo is het goed’.

“Jullie zullen wel trek hebben,” zegt hij.

Ja, nu hij er over begint…

Even later brengt hij een soort koeken, van zeewier of zoiets gemaakt. Ik neem een flinke hap. Het smaakt bitter. Ik wil niets laten merken en ik eet mijn koek dapper op.

“Heerlijk, Mwaaquül,” zegt Mwoaala. “Je hebt jezelf weer overtroffen.”

“Inderdaad, het smaakt… interessant,” zeg ik. “En het is voedzaam.”

Mijn gastheer en gastvrouw lachen.

Voedzaam is het zeker. Die ene koek is meer dan genoeg. Als het op is, brengt Mwaaquül weer flacons drinken. Het begint te schemeren.

“Dit zou het moment zijn om het kampvuur op te stoken,” zeg ik.

Mwaaquül lacht.

“Een kampvuur zal niet gaan, maar we hebben wel iets anders.”

Hij maakt een gebaar en opeens komt er vanuit het niets een fel bontgekleurd licht. Het komt langzaam dichterbij. Pas als het voor ons blijft zweven zie ik dat het een grote school hele kleine lichtgevende visjes is.

We brengen een heel genoeglijke avond door. Mwaaquül en Mwoaala vertellen om beurt verhalen uit een ver of minder ver verleden. Verhalen van de zee, over helden van hun volk, meermannen en meervrouwen die dappere daden verrichtten en daarbij vaak ternauwernood aan de dood ontsnapten. De verhalen zijn vrolijk, maar de ondertoon is droevig.

7. Mwaaquül

Nu het moment is aangebroken om te doen waarvoor ik gekomen ben, aarzelen ze. Lange tijd zweven we stil bij elkaar. Niemand zegt iets. Op een ongezien gebaar van Mwaaquül zwemt een deel van de lichtvisjes weg.

Eindelijk strekt Mwaaquül zijn hand naar me uit. Langzaam laat ik me er heen drijven. Ik geef hem mijn hand. We naderen elkaar nog meer en ook Mwoaala komt dichterbij. Onmeetbaar lange ogenblikken gaan voorbij. Mwaaquül streelt zachtjes mijn lendenen.

Plotseling slaat hij zijn ogen neer. Hij bloost. Ik weet waarom. Beneden, middenvoor, tussen de schubben van zijn staart is iets tevoorschijn gekomen. Ik laat me wat zakken om het van dichtbij te zien. Ik merk dat ik Mwaaquül daarmee in verlegenheid breng, tussen meermensen is dit niet gewoon. Ik trek me er niets van aan, de kans om een meerman van dichtbij te bekijken krijg ik nooit meer.

Net als bij meervrouwen is er bij meermannen gewoonlijk niets van te zien. Toch is het er wel. Net als bij mij verborgen achter een huidplooi. Daarachter vandaan is nu een klein rozerood puntje tevoorschijn gekomen. Het is niet groter dan het topje van mijn pink. Een beetje teleurgesteld kijk ik er naar: is dit alles?

Met mijn hand op zijn heup, zachtjes de overgang van vis naar mens strelend, kijk ik naar het verlokkelijke knopje. Langzaam kom ik met mijn gezicht dichter en dichter bij, het puntje van mijn tong uit mijn mond. Dat helpt, opeens begint het rode knopje te groeien. Tegelijk draait Mwaaquül zich een beetje bij me vandaan, bang voor de aanraking.

Het orgaan groeit tot een lengte van zo’n anderhalve decimeter. Dit begint er meer op te lijken, al is het veel dunner dan een landmannenpik. Daar staat tegenover dat het veel beweeglijker is. Het kopje draait nieuwsgierig alle kanten op, alsof het op zoek is. Plagerig ga ik er weer met mijn tong heen, maar voordat ik in de buurt kom, draait Mwaaquül zich weer weg.

Ik stop ermee hem in verlegenheid te brengen en wacht rustig af wat er gebeurt. Ik zweef weer omhoog, tot ik met Mwaaquül op gelijke hoogte ben. Tot mijn verbazing zie ik dat zijn pik nog steeds groeit. Bijna aarzelend trekt hij me tegen zich aan, met zijn schouder tegen zijn borstkas. Zijn hand verkent voorzichtig mijn rug. Verstopt onder mijn huidplooien begint mijn kutje zich flink merkbaar te maken.

Ik ga met mijn mond naar zijn mond.

“Meermensen zoenen niet,” zegt hij, verschrikt kijkend. Zijn hoofd gaat een klein stukje naar achteren.

“Aardmensen wel,” antwoord ik, vriendelijk glimlachend. “Zoenen hoort er bij. Zonder zoenen geen seks.”

Mijn eigengereidheid was één van de redenen waarom ze mij hiervoor gekozen hebben. Ze zullen dus ook met de gevolgen daarvan om moeten gaan. Ik leg mijn hand in Mwaaquül’s nek, zodat hij me niet meer kan ontsnappen. Heel voorzichtig druk ik mijn mond op die van hem.

Zoenen onder water is anders… maar niet minder lekker. Ik laat Mwaaquül stapje voor stapje zien hoe het moet, totdat hij zich over zijn remmingen heen zet en aarzelend mee gaat doen. Ik neem zijn hand en leg hem op mijn borst. Twijfelend beginnen zijn vingers met mijn tepel te spelen.

Al die tijd is Mwoaala vlak bij ons. Voor hen is ook dit ongewoon. Als een meerman intiem is met één vrouw, zullen zijn andere vrouwen zich gewoonlijk naar een andere ruimte terugtrekken. Natuurlijk kunnen ze door hun telepathische vermogens ook op afstand inleven in wat er gebeurt, maar toch… Deze gebeurtenis zo bijzonder voor hen, dat ze hun eigen strikte etiquette-regels er voor aan de kant zetten.

Ik onderbreek onze zoen plotseling omdat ik iets voel. Ik kijk naar beneden. Mwaaquül’s pik is uitgegroeid tot meer dan een halve meter lengte. Soepel als een slang, beweeglijk, nergens dikker dan mijn pink. Het gevoelige puntje glijdt over mijn buik. Mijn schubbenhuid is daar glad, de opening onzichtbaar voor het blote oog, maar het rozerode knopje vind hem moeiteloos. Bescheiden dringt het uiterste topje onder mijn buitenste schaamplooi.

Ik zoen weer met Mwaaquül, maar het kost me moeite om me er op te concentreren. Wat daar beneden gebeurt leidt me veel te veel af. Langzaam dringt het soepele orgaan dieper en dieper. Het bereikt de supergevoelige delen rond de ingang van mijn kut en een verlammend gevoel gaat door mijn hele lijf. Als ik nog benen had gehad, was ik er nu doorheen gezakt. Nu moet Mwaaquül er voor zorgen dat ik niet weg drijf, want ik zelf kan het niet meer.

Het is een ervaring op zich, neuken in de gewichtloosheid onder water. Maar het is niet alleen dat. Ik kan me niet herinneren dat ik het ooit zo intens heb meegemaakt. Deels komt dat doordat het allemaal zo anders is, maar vooral ook doordat mijn lichaam ongewoon gevoelig is. Veel gevoeliger dan… een aardvrouwenlijf.

Nog dichter trekt Mwaaquül me tegen zich aan. Vrijwel de volle lengte van zijn pik is nu onder mijn beide schaamplooien verdwenen. Hij stimuleert tot nu toe nog steeds alleen maar de voorhof rond de eigenlijke ingang van mijn kut. Dit is al heftiger dan het heftigste orgasme dat ik op land ooit beleefd heb. En toch voel ik dat dit nog maar het begin is.

Want dat het nog intenser kan, merk ik als zijn pik langzaam steeds dieper in me dringt. Het voelt allemaal wonderlijk vreemd, maar vooral heel erg lekker. Het is een onbeschrijfelijk gevoel, alsof hij tot in mijn baarmoeder doordringt. Nee, er dwars doorheen, tot bij mijn eierstokken. Mijn staart kromt krampachtig opzij, mijn hele lichaam schokt. Mwaaquül moet zijn uiterste best doen om me vast te houden.

Hoe lang het duurt kan ik niet zeggen. Ik voel niet alleen mijn eigen genot, maar Mwaaquül deelt telepathisch het zijne met mij. Een gedeeld orgasme is een dubbel orgasme, neem dat van mij aan.

Even voel ik me volstrekt leeg. Als ik weer bij mijn positieven kom, merk ik dat Mwaaquül nog steeds in me zit, zij het minder diep dan eerder. Mwoaala heeft zich tegen ons aan gevleid en streelt ons beiden. Met haar krachtige staart waaiert ze koel water in onze richting. Ik heb nog lang niet genoeg. Een snelle trilling gaat door mijn staart. Mwaaquül’s pik reageert meteen daarop.

Ik kan er geen genoeg van krijgen. Meer en meer trek ik het initiatief naar me toe. Steeds weer laat zijn bijzondere orgaan zich binnenin mij tot leven wekken. Keer op keer heb ik het gevoel dat hij tot in de diepste hoeken van mijn ingewanden dringt. Elke keer eindigt in een ongekend hevige climax. Na dat eerste orgasme volgen er zeker nog zes.

Eindelijk, na een liefdesspel van vele uren zijn Mwaaquül en ik niet meer tot iets in staat. Al die tijd heeft zijn pik mijn lichaam nooit geheel verlaten. Nu trekt die zich langzaam terug en dan verdwijnt hij weer onder Mwaaquül’s schaamplooi. Totaal uitgeput zweven Mwaaquül en ik in het water. Mwoaala draagt kolven met versterkende drank aan.

8. Nachtmerries en een droom die in vervulling ging

Ik slaap onrustig. Een slaap vol exotische dromen en nachtmerries. Ik zweef gewichtsloos boven diepe afgronden. Koel water streelt mijn lichaam en zorgt zo voor een licht gevoel van opwinding. Het is een heerlijk om te kunnen vliegen, maar tegelijk is er de angst om naar beneden te storten.

Die droom wordt gevolgd door een nachtmerrie. Ik ben geboeid door een meterslange dunne pik. Ik kan me absoluut niet bewegen, verstrengeld als ik ben in dat orgaan. Neptunus, Poseidon en nog veel meer meermannen komen naar me toe om met me te zoenen, de ene nog wilder dan de andere.

Dan, vlak voor het ontwaken, droom ik een angstige droom waarin ik geplaagd wordt door hevige pijnen. Ze schijnen uit mijn diepste binnenste te komen, diep uit mijn buik. Ze verplaatsen zich langzaam naar de oppervlakte en beginnen dan weer overnieuw binnenin.

Ik ontwaakt met het eerste ochtendlicht. Blauwachtig groen filtert het van het oppervlak naar beneden. Echt uitgerust ben ik niet en mijn lichaam is stram en pijnlijk. Mwoaala en Mwaaquül zijn over me heen gebogen. Ze lachen en huilen tegelijk.

Ik voel ook tranen opwellen. Ik weet meteen wat deze emoties bij hen oproept. Door mijn nevelige tranen heen zie ik het, op mijn buik. Van mijn navel naar beneden ligt een streng glasachtige ronde voorwerpen. Ze kleven lichtjes aan mijn buikwand vast. Bollen, iets groter dan een tennisbal. Bij elke beweging die ik maak vervormen ze iets door de druk van het langsstromende zeewater.

Mwoaala kijkt me aan. Ze waaiert mijn tranen weg.

“Je weet niet hoe dankbaar we je zijn,” zegt ze. Ze drukt een kus op mijn wang.

Heel voorzichtig, alsof het iets vreselijk kostbaars en breekbaars is, pakt ze de bovenste van de bollen met beide handen vast. Omzichtig weekt ze hem los van mijn huid. Door haar vreugdetranen heen kijkt ze er een tijdlang naar. Dan geeft ze hem aan Mwaaquül, die hem heel voorzichtig onder zijn schaamplooi laat verdwijnen. Eén voor één maakt Mwoaala op die manier de bollen los van mijn buik en legt ze ze in Mwaaquül’s handen. Ik deel hun vreugde, maar voel ook een zekere leegte als Mwoaala de laatste bol wegneemt.

“Zes meisjes en één jongen,” zegt ze verheugd. “Beter kon niet.”

“Onze oudste dochter zal Mw-Anna heten,” fluistert Mwaaquül.

9. Afscheid

We zwemmen weg als de zon al over het hoogste punt is. Het afscheid van Mwaaquül valt me ontzettend moeilijk. Hem ook. Als Mwoaala en ik van grote afstand nog een keer omkijken, zweeft hij nog steeds boven de woning. Hij zwaait nog een laatste keer als afscheid.

“We zullen je op de hoogte houden,” zegt Mwoaala op mijn onuitgesproken vraag. “Op onze eigen manier zullen we je laten weten hoe het gaat. En er komt een tijd dat je ze zult zien. Je zult vanzelf weten als het zover is.”

De walvisseks is nu aan stuurboord. We zijn al een tijd onderweg als we kwallen tegenkomen. Een hele school, of zwerm, of hoe noem je dat bij kwallen. Prachtig: fragiele, transparante pasteltinten in het zeewater. Heel anders dan gestrande kwallen bij Zandvoort.

De terugreis lijkt veel sneller te gaan dan de heenreis. Te snel. Als de afstand tussen zeebodem en oppervlakte begint af te nemen, weet ik dat er een eind aan dit avontuur gaat komen.

“Zwem je straks meteen weer terug?” vraag ik aan Mwoaala.

“Ik zou wel willen, snel weer naar Mwaaquül,” antwoordt ze, “maar ik doe het niet. Ik heb hier niet ver vandaan een plaats waar ik kan uitrusten. Dan keer ik in de vroege ochtend terug. Bij licht reizen is ook veiliger.”

“Kan ik vannacht nog bij je blijven?”

Ze kijkt me onderzoekend aan.

“Wil je niet het liefst zo snel mogelijk naar je vriendinnen terug?”

“Die kan ik altijd nog zien. Liever blijf ik nog wat langer bij jou.”

Ze knikt bedachtzaam en maakt een gebaar met haar hoofd dat ik moet volgen. We zwemmen een stukje parallel met de kust. De ingang is nog veel moeilijker te vinden dan die van hun woning op de bodem van de oceaan. Als dat een ruime villa is, dan is dit een klein appartementje. Klein maar gemoedelijk.

Mwoaala oogst snel wat zeewier als avondeten. Ze vertelt hoe Mwaaquül zijn andere vrouwen één voor één verloor. Ziekte, ouderdom, Mwioone die in een net verstrikt raakte. Over hun vergeefse pogingen om voor nageslacht te zorgen. Over hun twijfels, hun radeloosheid. Over hoe heel langzaam het besluit rijpte om over te gaan tot drastische maatregelen. Over de jarenlange zorgvuldige voorbereidingen.

Dan vertelt ze urenlang nog heel veel andere verhalen. Vrolijke verhalen uit de rijke geschiedenis, toen meermensen nog talrijk waren in de oceanen van de aarde. Sommige daarvan klinken zo ongelofelijk, dat ze wel waar moeten zijn, zoiets verzin je niet.

Het is al diep in de nacht als ze eindelijk klaar is met wat ze me allemaal wilde vertellen. Zwijgend zweven we naast elkaar. Moe. Ik verwacht dat Mwoaala zal voorstellen om te gaan slapen. Ze zwijgt. Ze kijkt me aan. Afwachtend.

Als ik mijn hand op haar schouder leg, verstijft ze even. Toch doet ze er niets aan. Ze zweeft niet weg, ze duwt mijn hand niet weg. Daar door aangemoedigd, kom ik dichterbij. Ik trek haar tegen me aan. Ik merk haar innerlijke strijd. De nieuwsgierigheid tegen de door eeuwenoude tradities ingegeven remmingen.

De nieuwsgierigheid wint. Haar handen beginnen heel voorzichtig mijn lichaam te verkennen. We zoenen. Ik streel haar borsten. Ik wacht lang, voordat ik mijn hand naar haar buik laat afzakken. Ik zoek en zoek, maar vind niet wat ik zoek. Na een tijdje lacht Mwoaala:

“Jij bent rechtshandig. Bij jou opent de bovenste schaamplooi naar rechts. Is het je bij Mwaaquül niet opgevallen? Net als bijna alle meermensen zijn hij en ik links.”

Zo ongeveer moet een man zich voelen als het maar niet lukt een bh open te krijgen. Met Mwoaala’s aanwijzing vind ik probleemloos wat ik zoek. We slapen nauwelijks die nacht. Dat is ook maar beter zo, zo kan ik ook geen nachtmerries krijgen.

“Ga je dit allemaal aan Mwaaquül vertellen als je terug bent? Vindt hij dit allemaal goed?” vraag ik na ons zoveelste orgasme.

“Hij weet het al en hij vindt het goed. Jouw bezoek heeft nog veel meer voor ons betekend dan we vooraf verwachtten. Er gaat niet één nieuwe wereld voor ons open, er zijn vele nieuwe werelden opengegaan.”

10. Boven water

De transformatie terug is net zo pijnlijk als omgekeerd. Mijn lichaam beweegt in spasmen om het water uit mijn longen te werken. Totdat het zover is, heb ik het gevoel dat ik stik. Mwoaala heeft er minder moeite mee. Als het eindelijk over is, merk ik dat ik ook mijn benen weer terug heb. Al die tijd heeft Mwoaala haar arm om mijn schouders. Meer kan ze niet voor me doen.

Ik sta op, wankelend. Ik was sneller aan mijn vissenstaart gewend dan nu weer aan mijn benen. Pijnlijk hoest ik het laatste water uit mijn longen. De ochtendlucht is kil op mijn naakte huid, ik krijg kippenvel. De zon is nog maar net boven de horizon verschenen en het strand ligt nog in de schaduw. Ik ga weer in het water zitten, naast Mwoaala.

Deze keer vraagt ze niet voordat ze haar handen op mijn benen legt. Ze streelt ze, verwonderd. Ze heeft iets in haar hand:

“Mijn enkelkettinkje,” zeg ik verrast.

“Het was gebroken toen je… Ik heb het gerepareerd.”

Ze doet het om mijn enkel. Het voelt vertrouwd, alsof het nooit weg is geweest.

Ze kan haar nieuwsgierigheid naar de schaamdelen van een aardvrouw niet meer bedwingen. Onderzoekend gaan haar vingers tussen mijn schaamlippen.

“Vreemd, exotisch,” fluistert ze.

“Het lijkt wel of ik daar veel gevoeliger ben dan van te voren,” zeg ik met een diepe, genotvolle zucht.

Ze glimlacht:

“Een restverschijnsel van de transformatie. Beschouw het maar als een cadeautje van ons. Als dank.”

In een impuls maak ik het kettinkje dat Mwoaala net om mijn enkel heeft gedaan weer los. Als ik het dubbel om Mwoaala’s pols sla, kan ik het nog net dichthaken.

“Voor Mw-Anna,” fluister ik. “Als aandenken.”

“Ik heb ook een aandenken voor jou,” zegt Mwoaala.

Ze doet een dun kettinkje om mijn hals, met daaraan een gouden hangertje. Een meermin en een meerman in een innige omhelzing, hun staarten om elkaar heen geslingerd. Prachtig, fragiel, kostbaar.

Ook dit afscheid valt me zwaar. Zwaarder bijna nog dan dat van Mwaaquül. Mwoaala voelt hetzelfde, want ze blijft lang aan het oppervlakte. Dan, een laatste armzwaai voordat ze definitief in de golven verdwijnt.

Wat nu? Daar sta ik dan op het strand. Ik weet niet eens precies waar. In de buurt van waar ik Mwoaala voor het eerst ontmoette, dat wel. Ik ben naakt. Zo kan ik niet terugwandelen naar het dorp. Hoe kom ik aan kleren? Ik kijk om me heen. Vijftig meter bij me vandaan zie ik iets wits in het zand. Ik loop er heen. Ik kan het nauwelijks geloven: mijn eigen shirt. De wind heeft het bijna helemaal met zand toegedekt. Onder het shirt vind ik al mijn andere spulletjes terug. Onaangeroerd, precies zoals ik ze heb achtergelaten.

‘3 oproepen gemist’ staat er op mijn telefoon. Dat valt mee. En een sms-je. Als antwoord op dat berichtje dat ik op het allerlaatst nog naar Arianne heb gestuurd, precies achtenveertig uur geleden:

‘hoor wel als je weer boven water bent–wil alle details weten’

gevolgd door een hartje en een knipoog.

Mijn berichtje was ongetwijfeld ingegeven door Mwoaala. Arianne, met haar dirty mind, heeft er meteen een dubbele uitleg aan gegeven en heeft zich vervolgens ook niet ongerust gemaakt over mijn wegblijven.

Zou ze zo vroeg al op zijn? Ik bel haar nummer.

“Hoi. Waar zit je?” haar stem klinkt slaperig.

“Op het strand. Je gelooft nooit wat mij is overkomen.”

11. Voor de zeevarenden

Zeelieden en een ieder die zich op de zeven zeeën begeeft: als toekomstige generaties van meerminnen niet blond en rondborstig blijken te zijn, maar donker en met kleine borsten, dan weten jullie waardoor het komt.

© anna 2006

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  5 comments for “Atlantis

  1. 13 oktober 2006 at 23:15

    Prachtig Anna en fantasievol. Goede sfeertekening!

  2. 19 oktober 2006 at 14:51

    Betoverend. Ik zou wel een sprookjesboek vol met dit soort verhalen willen hebben.

  3. 22 oktober 2006 at 15:56

    Helemaal áf, Anna!

  4. 26 oktober 2006 at 16:52

    Had ik nog maar een ster…

  5. 31 januari 2011 at 08:09

    Ik woon vlak bij zee, ben vaak op het strand en toch is mij dit nooit overkomen. (snik)
    Wat ben ik blij dat jij ons verteld hebt dat het echt kan. En dan nog wel zo mooi verteld.
    Een heerlijk verhaal. Kus

Geef een reactie