De rand van de wereld

Ik heb nooit goed kunnen praten. Het is niet dat ik er iets mis is met mijn stembanden, tong of lippen, maar er gaat iets mis in mijn hoofd. Het is er alsof er een stoorzender in mijn brein geplant is die al mijn woorden door elkaar gooit vlak voordat ze mijn mond verlaten. Dat is altijd al zo geweest en de dokters kunnen er niets aan doen. Ik zeg dingen die ik niet wil zeggen, dus zeg ik vaak maar niets. Meestal ben ik alleen. De eenzaamheid verkies ik boven het hoongelach en pesterijen.  Ik zwerf vaak maar rond, door het dorp maar vaker daarbuiten, daar beginnen de bossen en verdwijnen de mensen, daar voel ik me vrij.

Een jaar geleden kwam er een vreemdeling bij ons in het dorp wonen, een donkere vreemdeling, uit Somalië. Hij kwam van het asielzoekerscentrum uit het naburige dorp. Ik fietste er wel eens langs,  een verzameling blokkendozen langs de provinciale weg met troosteloos zwart glimmende daken na een regenbui.

Hij zag er uit alsof hij uit een andere wereld kwam, uit een andere tijd ook want zijn broek was versleten en het model was zo ouderwets dat het van mijn opa geweest kon zijn. Zijn grijze jasje hing vormloos om zijn magere schouders. Een inboorling in afgedankte giften.  Het porseleinwit van zijn ogen lichtte op in zijn koolzwarte ingevallen gezicht.  Hij had droevige ogen alsof ze de wereld hadden zien vergaan. Als je vlak langs hem heen liep en niet durfde te kijken dan rook je de zoete nevels uit een verre wereld. Hij rook als een vakantiefoto uit een reisgids, exotisch, kleurrijk, en kruidig zoet. Je kon het hagelwitte zand tussen je tenen voelen kriebelen als je naar hem keek.  Hij was een vreemde eend in de bijt net als ik.

Als hij door de winkelstraat van het dorp liep keek men hem zo onopvallend mogelijk na. Winkeliers wisten niet of ze hun ogen op de exotische verschijning of op hun waren moesten houden. Er werd niet veel tegen hem gezegd, wel over hem uiteraard, op gedempte toon en met gespannen blikken alsof er steeds iemand meeluisterde. Ze moesten hem niet dat was wel duidelijk.

We ontmoette elkaar voor het eerst bij de dijk. De dijk waar mijn zwerftochten me overheen voerden en waar hij keek naar de ondergaande zon. Ik zag hem al in de verte zitten, alleen. Hij was vaak alleen net als ik. Toen ik hem passeerde riep hij iets in een taal die ik niet verstond. Zodra ik omkeek lachte  hij naar me met hagelwitte tanden, verward keek ik weer naar mijn stuur. Weinigen lachten tegen mij, zeker niet op die manier.

We ontmoeten elkaar voor de tweede keer aan de rand van de wereld. Aan de rand van het dorp daar waar de weg onder het viaduct verdween, weer naar boven komt en dan langzaam afsterft om uiteindelijk geheel op te houden met te bestaan. Die weg was bedoeld om het dorp aan te sluiten op de grote ringweg, dit bleek een misrekening te zijn, de weg werd nooit voltooid. Het was de planologische schandvlek van de regio, het lag daar maar, doelloos en eenzaam. Asfalt grensde aan weelderig groen alsof het met een mes was afgesneden. Daar welde het onkruid op als een woekerende zee. Ik kwam er al van kinds af aan, die plek fascineerde me. Toen verbeeldde ik me dat daar de bewoonde wereld ophield en een sprookjeswereld begon. Een bosrijk waar ik op een dag, als ik van alles genoeg zou hebben in zou kunnen verdwijnen om een ander leven te leiden. Nu ben ik achttien jaar en leef nog steeds een leven vol onvervulde dromen.

Ik kom daar nog altijd omdat er nooit iemand is. Er is geen reden om er te komen want de weg gaat nergens heen. Soms welt dan weer die kinderlijke gedachte op mijn fiets neer te leggen, door de varens en distels te waden totdat ik niet meer zichtbaar ben en alleen mijn fiets die eenzaam in het gras ligt het bewijs is dat ik ooit heb bestaan.

Maar ineens was hij er. Hij keek om zich heen alsof hij verdwaald was, toen zag hij mij. ‘Where is the road?’, riep hij lachend. Ik stond daar met een voet nog op de trapper, verward door zijn plotselinge aanwezigheid en haalde verlegen mijn schouders op.  ‘Come here girl’, riep hij wenkend. 

Zijn aanwezigheid maakte me onzeker, hij had het vlies van eenzaamheid die deze plek beschermend afsloot gebroken. Toch liep ik naar hem toe. ‘Do you smoke?’’, vroeg hij, ik schudde mijn hoofd. Ondanks mijn antwoord hield hij mij een geopend pakje Marlboro voor, ik friemelde er een sigaret uit. De rook brandde in mijn keel en ik moest zo hard hoesten dat ik vreesde ter plekke dood neer te vallen. Toen ik mijn tranende ogen weer opsloeg keek hij me aan. Hij lachte me niet uit maar keek alleen maar naar me alsof zijn ogen me in zich wilde opnemen. Vlug zocht mijn blik de neuzen van mijn schoenen weer op. Een tijdje was het stil. ‘Your skin is like cream and your hair is like fire’, zei hij plotseling. Ik wist niets te zeggen. ‘My name is Ghedi’, hij stak zijn hand uit.

Hoe het precies is gekomen dat ik met hem het bos in ging weet ik niet meer. Vanaf het moment dat ik de harde asfaltgrens overschreed veranderde alles in een droom. Ghedi leidde me, ik hield de plooien van mijn jurk in mijn handen en de varens streelden zachtjes mijn blote benen.  Het was alsof de krekels me toezongen, alsof ik zijn bruid was die daar door het groen waadde, alsof ik iemand was van groot belang. We gingen steeds verder, af en toe keek hij naar me om alsof ik plotseling kon zijn verdwenen. Het bladerdak werd dichter, de koelte deed mijn huid samentrekken terwijl mijn gedachtes verstomden in het oorverdovende lawaai van mijn hart. Toen hield hij stil en wenkte me.

Ghedi scharrelde wat rond als een hond die een plaatsje zocht. Ik stond daar als een wassen beeld. Een tijdlang klonk er slechts het gezoem van insecten en het geschetter van vogels.   ‘Now I am gonna fuck’, zei hij tevreden. Het leek alsof hij meer tegen zichzelf sprak dan tegen mij. Het was niet meer dan een simpele vaststelling. ‘I am horney,  a  man even fucks a donkey when he is horny’. Hij keek me aan en grijnsde trots alsof hij bewondering verwachtte. Ik zweeg, ik kon niet anders dan zwijgen op een moment dat mijn woorden er niet meer toe deden. En toen begon  hij me uit te kleden.

Verbaasd keek ik toe hoe mijn kledingstukken een voor een in het mos vielen. Hij stroopte me geduldig totdat ik poedelnaakt voor hem stond. Ik was naakter dan anders, naakter omdat hij het zag en ik niet langer alleen voor de spiegel stond.  Hij lachte om mijn hagelwitte huid of om wat anders en als een ontdekkingsreiziger  verkende hij het met sproeten bespikkelde sneeuwlandschap met zijn lange dunne vingers. Ze waren zacht en voorzichtig. Hij raakte me aan op plekken waar ik mezelf nog nooit heb durven aanraken, zachtjes, dan keek hij me aan en lachte hij naar me, verontschuldigend bijna. Toch ging hij verder, langs mijn benen omhoog, tussen mijn dijen die ik nog beschermend tegen elkaar kneep. Zijn vingers kriebelden als spinnenpoten, ik moest mijn lachen inhouden. Plots zat hij in me. In het lichaam waarin ik tot voor kort alleen was en eenzaam. Ik keek hem verbaasd aan, hij keek niet meer terug, zijn ogen staarden strak voor zich uit alsof hij in diepe concentratie verzonken was. Toen deed hij een stap naar achteren en bekeek me.

Mijn wangen gloeiden terwijl ik daar stond in al mijn kwetsbaarheid en hij me gekleed als een sjofele boekhouder van top tot teen bestudeerde. Zijn ogen gloeiden, het leek alsof ze een beetje aan me knabbelden. Zachtjes maar, zodat het geen pijn deed. Nog nooit ben ik bekeken zoals Ghedi toen deed. Wel vaak onderzoekend door psychiaters, of meewarig door tantes.  Maar Ghedi keek naar me alsof ik iets had dat wat waard was, iets dat hij niet had en bezitten wilde. 

Nog nooit hebben de koude blauwe ogen van de dorpsknullen me zo gezien. Voor hen ben ik nooit een vrouw geweest. Zelfs met Samantha namen ze genoegen, als de drank ze genoeg beneveld had tenminste. Ik bleef altijd aan de kant staan. Maar toen, daar in het bos, was ik even het centrum van een broeierig heelal en zagen zijn ogen alleen mij.

Hij wees naar het mos aan mijn voeten en lachte naar me,  zijn tanden waren zo wit als hij lachte. Ghedi lachte niet zuinig als de mannen van het dorp maar gul, alsof hij iedereen aanspoorde mee te lachen. Ik smolt van die lach maar begreep hem niet. Zijn handen omsloten mijn schouders stevig en duwde me naar beneden. ‘Sit’, zei hij, ‘sit’. Mijn blote knieën zonken in het zachte koele mos en mijn blik werd verduisterd door zijn heupen die ineens heel dichtbij waren. Rustig knoopte hij zijn broek los.

Ghedi had dunne benen en scherpe heupen. Toen hij zijn onderbroek naar beneden trok sprong het tevoorschijn, hard en krom als een angel van een wesp. Voor het eerst zag ik wat al die meisjes al hadden gezien en begreep ik waarom hun wangen gloeiden als ze erover vertelden. Ik keek naar hem op , ‘Yes?’, zei hij, zijn stem klonk trots. Ik knikte maar wat en toen duwde hij mijn gezicht tussen zijn dijen. Ze streken lang mijn lippen, glad als wilde vijgen, zelfs daar rook hij naar zoete aftershave.  Ik drukte er een onhandige kus op. Zijn vingers woelde door mijn haren, omsloten mijn hoofd en drukten me steviger tegen hem aan terwijl hij met zijn heupen zachte duwende bewegingen maakte. Nog nooit heb ik me zo angstig en verrukt gevoeld als toen.

Uiteindelijk gaf ik toe en opende mijn mond zodat hij kon binnendringen. Nog nooit had ik mannelijkheid geproefd, nog nooit heb ik zoiets beroerd wat zo hard en zo zacht tegelijk is. Voorzichtig zocht mijn tong de punt van zijn angel, hij gromde zo diep dat het wel uit de aarde leek te komen. Ik vond het fijn dat hij gromde door iets wat ik deed, het moedigde me aan hem begeriger te omsluiten. Ik wilde hem door mijn tong, mijn lippen laten zingen.

Voorzichtig trok hij zich terug en dreef me met zachte dwang naar de grond. Met bonzend hart lag ik op het mosbed, hij torende boven me uit als een reus. Mijn benen hield ik stijf naast elkaar zodat ze bijna in elkaar versmolten. Ik lag daar als een zeemeermin op het droge, angstig happend naar lucht. Hij keek op me neer, ‘now you get open’, hij hield zijn handpalmen tegen elkaar en opende ze als een schelp. Nog een keer herhaalde hij dat handgebaar terwijl ik diep van binnen al wist wat hij bedoelde.

Mijn keel werd zo droog dat ik bijna stikte. Zag hij mijn angst? Hij knielde naast me neer als naast een gevallen soldaat. Zijn hand streek het haar weg uit mijn gezicht, hij lachte weer zoals alleen hij dat kon. Een lach die alleen voor mij bedoeld was en voor niemand anders. Ondertussen zocht zijn hand zich een weg omlaag. Elke stap die zijn vingertoppen zetten deed mijn huid samentrekken. Ze beklommen mijn borst, draaide plagerig een keer rond mijn tepelhof en gleden weer bergafwaarts naar mijn buik. Mijn blik durfde zijn hand niet te volgen en richtte zich op ingewikkelde spel van zonnestralen die door het bladerdak vielen. Mijn adem stokte toen zijn vinger mijn navel in glipte in en daar kriebelend achterbleef totdat een lach uit mijn mond ontsnapte. We lachten samen en zwegen weer. Toen opende hij mijn benen.

Ik hield mijn ogen stijf gesloten toen hij binnendrong. Hij brak me open,  ik gilde geluidloos tegen de boomtoppen. De boomtoppen van het verlaten bos waar ik stierf en herboren werd en mijn onschuld tussen de varens achter liet.

We zwegen verrukt. Hij zweeg omdat hij mijn taal niet sprak, en ik omdat ik eigenlijk geen enkele taal sprak. Maar spreken was niet nodig, niet hier in de woekerende wildernis, niet met hem, hij sprak met zijn handen met zijn harde lichaam en de warmte van zijn adem.  Hij drong door mijn pantser en raakte me  diep van binnen,  verder dan ooit iemand geweest was. 

Mijn adem versnelde, werd zwaarder en de wereld om me heen begon zachtjes te smelten. Steeds dieper zakte ik in een droomwereld weg en begon mezelf uiteindelijk te vergeten. Ik dreef op warme golven van de kust en zag mezelf op het strand staan, steeds kleiner wordend totdat ik meisje dat ik vroeger was niet meer herkende. We veranderden in iets anders hij en ik, in iets nieuws. Een achtarmig wezen met twee monden, waarvan de een diep gromde en de andere zachtjes jammerde. Ik wilde dat het altijd zo bleef. Maar het woeden in mijn buik kwam schokkend tot een einde, eerder dan ik wilde en hij trok zich uit me terug. Verdwaasd lag ik op de geurige bosgrond. ‘You are very tight’, grijnsde hij.

Na die ontmoeting volgden er nog velen. Steeds op diezelfde plaats, aan het eind van de weg. We spraken weinig en als we spraken was hij aan het woord. Ik leerde dat Ghedi reiziger betekende en dat hij een groot deel van zijn leven onderweg was.

Hij droeg altijd een klein glazen flesje met rood zand om zijn hals. Dat was zijn geboortegrond zei hij. Hij vertelde me vaak over zijn bestaan in die andere wereld. Vissen op een azuurblauwe zee, manden vol spartelend zilver, hoe de hemel goud kleurt aan het eind van de dag. Dan weer stak hij af over de staalblauwe Hollandse hemel waaraan wolken als grijze rotspartijen groeien,  zijn plannen om snel rijk te worden, of over de warmte van mijn schoot. Ik zweeg dan en luisterde verwonderd.  Als hij uitgepraat was rookte hij een sigaret. Hij staarde dan geconcerteerd voor zich uit alsof hij diep nadacht. Die sigaret was als een zandloper, langzaam vrat de gloeiende kegel zich door het maagdelijk wit papier, steeds verder tot het niet verder kon. Ghedi rookte zijn sigaret steevast op tot de gloeikegel de filter schroeide. Dan gooide hij de peuk op de grond, verpulverde het met de neus van zijn schoen en keerden zijn gedachten weer terug naar mij, alsof hij even vergeten was dat ik bestond.

Hij stroopte dan mijn kleren af. Soms helemaal zodat hij me eerst van alle kanten kon bekijken, soms verdwenen zijn handen slechts onder mijn rok en zochten daar naar de rand van mijn broekje die hij dan langs mijn nog winterbleke benen omlaag trok. Ik stond daar dan, wachtend, voor het oog gekleed maar beneden kwetsbaar naakt en niemand wist het behalve hij. Dat besef zweefde dan een tijdje broeierig tussen ons in en hij liet het groeien tot een geweldige onweerswolk. Hij keek slechts en zweeg. Mijn hartslag liep op totdat ik bijna stikte van de spanning en ik opgelucht was als hij me uiteindelijk omdraaide, de zoom van mijn rok op mijn schouders  legde en moeiteloos bij me binnendrong.

De andere keer drukte me neer zodat de grassprieten in mijn rug prikten en doorstak me zodat ik met opengesperde mond zachtjes naar de hemel schreeuwde. Soms deed het pijn, soms niet, zijn snor kriebelde dan tegen mijn lippen en prikte in mijn hals. Zijn pik was zo groot dat ik bang was open te scheuren, maar voorzichtig begon mijn lichaam te wennen aan zijn aanwezigheid. Het was alsof ik langzaam om hem heen begon te groeien.

Als hij klaar was stond hij daar altijd een tijdje en rookte zijn tweede sigaret. Rustig en tevreden. Ik lag nog op mijn rug en keek naar hem op. Zijn lichaam was rank, pezig en diepzwart, een wit litteken doorsneed zijn schouderblad. Van een machete zei hij, hij had geluk gehad. Op zijn ellebogen en knieën was zijn huid bruin in plaats van zwart. Het leek alsof zijn huid aan slijtage onderhevig was. 

Op een dag was hij er niet meer.  Hij zou er zijn maar hij was er niet, ik stond daar verdwaasd naast mijn fiets. Nog even zwierf ik doelloos door het bos, langs de plekken waar wij samen zijn geweest, alsof zijn geur was achtergebleven en elk moment voor altijd kon vervliegen. Toen zag ik het, aan een boomtak, het flesje. Ik wist dat het over was, dat hij nooit meer terugkwam. Hij had zijn reis vervolgd en ik was weer alleen.

Nog steeds denk ik aan hem, vooral tijdens mijn zwerftochten, vooral vlak na een regenbui als mijn regenpak nog koud tegen mijn huid plakt en de hemel openbreekt. Dan smeult door een scheur in de wolkenrotsen het vuur van de zon en zie ik alles even door zijn ogen. Alle chaotische herinneringen aan hem lijken echo’s uit een andere wereld, een wereld die net zo snel ten onder ging als dat die ontstond. Toch heeft hij me veranderd. Op mijn blote huid draag ik het flesje met rood zand, beschenen door de zon die hier en daar dezelfde is. Het zand waar zijn voeten geweest zijn.

Zo nu en dan ga ik nog wel eens naar het bos, op zoek naar ons plekje. Dan herinner ik weer hoe hij daar ineens was en zijn sporen voor altijd in me achter liet. Dan denk ik aan de liefde, of wat er voor doorgaat.

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  10 comments for “De rand van de wereld

  1. 26 juli 2012 at 13:39

    Ik vind dit echt heel mooi. Verder schrijven he.
    Dank u.

  2. 31 juli 2012 at 15:05

    Kwetsbaar, ingetogen; onthullend en toch ingehouden.
    (Let wel op spel/typfouten; rond het midden van je verhaal staan er een aantal). Leuk dat je heden/verledentijd weet af te wisselen, iets dat natuurlijk helemaal niet mag. Fijne schrijfstijl heb je!
    Dank je wel voor dit verhaal.

  3. 12 augustus 2012 at 08:49

    Heel mooi verhaal, dank je wel.

  4. 1 september 2012 at 16:28

    Jan heeft een prachtige manier van vertellen. Vanaf het eerste moment sleept hij me mee in het verhaal van eenzame zielen die samen iets prachtigs beleven. Wanneer je van de buitenkant naar het verhaal kijkt kun je je wenkbrauwen optrekken, maar Jan maakt het lief en ontwapenend. Heel mooi om te lezen.

  5. 10 oktober 2012 at 20:47

    Alweer zo’n mooi en meeslepend verhaal van jou Jan; ik heb er enorm van genoten. Blijf ons in die zoete vervoering brengen en mee nemen naar het randje van de wereld, het randje van de werkelijkheid.

  6. 17 oktober 2012 at 23:29

    Dit verhaal verraste me, ik bleef lezen en dan is het voor mij geslaagd!

  7. 22 oktober 2012 at 09:51

    Een breekbaar verhaal, zeer geloofwaardig verteld vanuit het perspectief van een wereldvreemd meisje. De kinderlijkheid ervan versmelt heel mooi met het realisme, het onromantische perspectief van een liefde ‘of wat daar voor doorgaat’. Knap geschreven, het voelde al snel als een vertrouwde, vertellende stem in mijn hoofd. Zo vertrouwd, dat ik heel graag haar stem weer zou willen horen, om te weten hoe het verder gaat met haar. Prachting, Jan!

  8. 9 november 2012 at 17:10

    Het is niet helemaal mijn ding, het is me te treurig, maar kan niet ontkennen dat het goed geschreven is.

  9. 10 november 2012 at 19:00

    Prachtig sfeervol geschreven vanuit een onverwachte invalshoek

  10. 13 november 2012 at 21:17

    Zeven lezers gaven dit verhaal samen 15 sterren. Dat levert een ledenstem van twee sterren op.

Geef een reactie