Een kwestie van wakker blijven

Het gezoem van de motor en het suizen van de banden over het asfalt van de weg hebben een bijna hypnotiserend effect. Toch kan ik in een rijdende auto nooit slapen en dat komt goed uit, want zo kan ik de chauffeurs alert houden.

Normaal gesproken zouden we deze rit van bijna 1800 kilometer van Napels naar huis nooit in één ruk afleggen, maar nood breekt wet. Onze vakantie is te lang uitgelopen door een ongelukje met de gehuurde camper. Jan had een paar dagen geleden bij het binnenrijden van een benzinepompstation de hoogte van de overkapping verkeerd ingeschat, waardoor we muurvast waren komen te zitten en de banden moesten worden leeggemaakt om het zaakje weer vrij te krijgen. Gevolg was wel dat de twee dakkapelletjes volledig waren vernield en dus hersteld moesten worden.

In afwachting van de reparatie hadden we noodgedwongen een caravan moeten huren. Het was een geluk bij een ongeluk dat we op die camping kennis maakten met Paul, een vlotte bagpacker, die, toen hij van de tijdsdruk vernam waarmee we nu ineens te maken kregen, de kans schoon zag om twee vliegen in één klap te slaan. Zijn vakantie zat er ook bijna op en in plaats van liftend langs ’s heren wegen te moeten banjeren, deed zich hier een unieke gelegenheid voor om één lift te krijgen. Zijn tegenprestatie was dat hij de helft van de tijd het stuur in handen zou nemen, zodat we de rit in één keer konden doen, met hier en daar slechts een korte stop voor een hapje en een drankje. Een uur of twintig, schatte Jan in, en dan zouden we inderdaad nog op tijd kunnen zijn om de camper op het afgesproken tijdstip weer in te leveren…

Paul, steevast uitgedost in een flodderige joggingbroek, t-shirt en gympen, is 23 en zo’n heerlijke never mind-figuur die alles neemt zoals het komt en zich niet druk maakt als het niet eens gaat zoals hij wil. Zo is het leven, is zijn visie, en dat is voor zo’n jonge knul een benijdenswaardige houding, vind ik tenminste. Hij vertelde dat hij in Rome ‘gerold’ was, net nadat hij 300 euro had gepind. Het geld groeide hem bepaald niet op de rug, maar in plaats van zich daardoor enorm opgefokt te voelen, zoals zeker bij Jan het geval zou zijn geweest, had hij berustend zijn schouders opgehaald: zo is het leven. En tot mijn hooglijk verbaasde man had hij laconiek opgemerkt: ach, wat is 300 euro in een mensenleven?, ik beschouw het maar als mijn bijdrage aan de kosmos.

_ _ _

We zijn onmiddellijk na het ophalen van de camper weggereden en inmiddels heeft Jan zijn beurt er al op zitten. Na even besluiteloos te hebben toegekeken of Paul het wel aan kon, is hij uiteindelijk geeuwend naar de wooncabine afgezakt, ons alleen latend in de ‘cockpit’. We zijn Rome al lang voorbij en het is donker geworden. Paul zal ons nu vier uur lang door de nacht leiden, tot aan en misschien wel over de Zwitserse grens. Vier uur op, vier uur af, en tijdens iedere vier uur een korte stop om even de benen te strekken en een kop zwarte koffie te nuttigen. Ik heb weinig anders te doen dan een praatje te maken, de kaart bij te houden en te zorgen dat de man naast me wakker blijft. Zelf dit enorme gevaarte besturen is aan mij niet besteed.

We hebben de geschiedenis van het Romeinse Rijk al de revue laten passeren, de toenemende islamisering van de westerse wereld, het Irak-echec van Bush, de ‘witte vlucht’ bij de scholen in Nederland en zelfs de relatie van België en Nederland, afgezet tegen de belangen van België bij de Westerschelde en de wederingebruikneming van de IJzeren Rijn versus de Betuwelijn, als tegen middernacht de stilte en de dodelijke verveling toeslaat. Paul geeuwt herhaaldelijk en langdurig en dus moet ik op mijn hoede zijn. Hij moet nog twee uur, tijd voor een rustpauze?

“Neem de eerste parkeerplaats”, adviseer ik, terwijl ik zelf een geeuw moet onderdrukken. “Dan maak ik wat koffie.”

“OK.”

Ik stommel naar achteren. Jan ligt ineengevouwen te ronken als een beer. Ik pak de pot Nescafé, strooi er wat van in twee kopjes en vul alvast de fluitketel met water. Ik merk dat ook ik gaar aan het worden ben. Mijn god, en nog zo lang voor de boeg!

Ik dein weer naar voren. Nog steeds geen parkeerplaats? Nee. De autostrada is bijna verlaten. Ik staar naar de lichtbundel die wij vooruit werpen en klim weer naast Paul. Hij zit als een standbeeld achter het stuur. Waar blijft die P? “Paul”, probeer ik het oorverdovende zoemen en suizen te doorbreken. “Paul, hoe zat dat ook weer met dat Westerscheldeverdrag?”

Hij reageert niet en daardoor word ik pas echt verontrust.

“Paul!” Ik schud aan zijn arm en tot mijn ontsteltenis maakt de wagen een zwieper. Hij schrikt op en krijgt na enig manoeuvreren de zaak weer in bedwang.

“Je sliep!”, roep ik geschrokken.

“Niet echt”, bromt hij terug. “Het gaat wel weer…”

Maar dat is niet iets wat me echt geruststelt. “Blijf wakker!”, sis ik geagiteerd. “Nog even!”

Hij gromt iets.“Wat zeg je?”

“Knijp me!”

“Wat?”

“Knijp me!”

Er flitst een afslag voorbij en zonder verder na te denken knijp ik hem in zijn bovenarm. “Zo?”

Weer maakt de camper een korte zwieper. “Niet in mijn arm!”, zegt hij geschrokken: “In mijn been!”

In zijn been!? Mijn adem stokt in mijn keel. “Gek!”, breng ik met moeite uit.

“Toe nou!” Het klinkt bijna smekend.

Weifelend steek ik mijn hand uit, de linker dit keer, ondertussen boven de lichtbundels van onze camper uit turend naar de verlossende aankondiging van een parkeerplaats of benzinestation.

“Zo?’, vraag ik opnieuw, nu met een schorre ondertoon in mijn stem, als mijn vingers zich krommen om zijn bovenbeen.

“Harder!”

Ik doe het en hij lacht. “Dat is beter!”

Als ik me opgelucht terug wil trekken, houdt zijn stem me tegen. “Niet doen asjeblieft!”

Ik moet ervan slikken, maar trek mijn hand niet terug. “Ik kan je toch niet voortdurend blijven knijpen!”, protesteer ik zwakjes.

In plaats van een antwoord hoor ik een diepe zucht. Ik voel hoe zijn spieren zich onder de dunne stof van zijn joggingbroek spannen. Mijn god!

Een tinteling trekt door mijn vingers en brengt mijn hand tot leven. Aarzelend schuif ik mijn handpalm over zijn dij. Hij reageert met een goedkeurende kreun. Ik lik mijn lippen en schuif behoedzaam verder tot ik een heel andere spier tegen de rug van mijn hand voel, niet gehinderd door enige andere vorm van textiel. Is dit de bedoeling? Ja, dit is de bedoeling, blijkt als Paul moeizaam gaat verzitten. Een onbeheerste siddering trekt door me heen als mijn vingers de heuvel beklimmen die hij door deze beweging toegankelijk heeft gemaakt. Een kloppende, jonge, energieke lul doet mijn oren suizen en op hetzelfde ogenblik zie ik de lang verwachte P verschijnen. Nog 1200 meter.

“Daar komt een parkeerplaats aan…”, fluister ik.

“Ik zie het”, bevestigt hij toonloos.

Onder mijn vingers zoekt zijn pik zich schokkend een weg naar boven, tot hij met een laatste nukkige ruk in de juiste houding springt. Nog 600 meter, maar Paul mindert geen vaart.

“Stoute jongen”, murmel ik. “Wil je geen koffie?”

Hij grijnst. “Ik wil Jan niet wakker maken…, nog niet…”

De verrukking van de geilheid walmt door me heen en ik buig me naar hem toe. “Dan moet je hem wel in de gaten houden!”, hijg ik in zijn oor.

Hij kijkt verrast opzij en ik knik naar de achteruitkijkspiegel. Zijn gezicht splijt begrijpend open: “Ach zo!”

Ja zo! Mijn hart klopt in mijn keel als Paul aan de spiegel begint te frunniken. “Zie je hem?”

“Ja…, hebbes!”

“Houen zo!”

En dan glijd ik onderuit. Per slot van rekening ben ik niet links….

© Ankie  

 

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  2 comments for “Een kwestie van wakker blijven

  1. 7 januari 2008 at 18:27

    Dat is pas een manier om iemand wakker te houden.

  2. WB
    7 januari 2008 at 19:12

    Vaak is het verborgene extra spannend. Maar hier blijft wel erg veel in het duister. Toch een leuk verhaaltje. Overigens, ik denk dat Paul een backpacker is en geen bagpacker. Hoewel…

Geef een reactie