Een prins of drie, vier

Haar naam is in wijde kring bekend, want ze is actief in het publieke domein, en ik mag dan ook niet eens haar beroep noemen of haar uiterlijk omschrijven. Kort dan, en vaag: ze komt uit Scandinavië, is lang, aantrekkelijk en intelligent. Ik ontmoette haar in Papeete, Tahiti, waar we samen deelnamen aan een intemationale politieke actie. We hielden contact en mijn vraag aan haar werd eigenlijk niet gesteld in het kader van een interview. Maar haar antwoord was van dien aard, dat het zonde zou zijn het niet op te nemen En omdat ze heel vrij is, heeft ze daar geen bezwaar tegen. De vraag was: Heb jij, als vrouw in een wereld waarin de seksuele normen door mannen worden bepaald, je ooit werkelijk seksueel vrij gevoeld?

'Ik ben niet behept met het soort schroom waarmee meisjes, zelfs hier in het noorden van Europa, worden opgevoed. Mijn ouders hadden elke vorm van preutsheid doelbewust afgeschud en in ons gezin gold seks als iets wat bij het leven hoorde, net zo gewoon als eten of naar de wc gaan. Maar als je ouder wordt, krijg je natuurlijk te maken met de geldende seksuele normen, en de dubbele moraal die zelfs in onze vrije samenleving nog behoorlijk opgeld doet. Niemand zegt het meer hardop, maar mannen willen toch het liefst een meisje zonder veel ervaring in bed, terwijl het omgekeerd van een man wel gepruimd wordt. En hoe dan ook vind ik monogamie wel praktisch; je bespaart je er een hele hoop gezeur mee.

Mijn man was een ander type. Seks was iets voor de zaterdagavond en de zondagochtend, voor in het echtelijk bed met de eigen eega en het licht uit. Het was niet iets om over te praten, zelfs niet in de beslotenheid van de slaapkamer. Vreemdgaan betekende echtscheiding.

Ik had me volledig aan zijn opvattingen aangepast, en toen mijn man en ik, uit wederzijdse verveling, uit elkaar gingen, had ik dan ook iets van: afwachten maar tot de volgende prins. Ik besefte helemaal niet dat ik het heft in handen kon nemen, dat ik vrij was en naar eigen believen kon genieten. Iets daarvan daagde pas in het vliegtuig naar Tahiti, op een gekke manier. Ik ging naar het toilet en trof toevallig de blik van een man, knappe kerel, een Fransman denk ik, die me op een bepaalde manier aankeek en dat dééd me iets, ik bedoel op een heel primitief niveau, rechtstreeks in mijn dinges, mijn vagina. Maar geconditioneerd als ik was negeerde ik de impuls mijn rok op te trekken en op zijn schoot te gaan zitten – of zoiets, ik zeg maar wat.

Afijn, ik ging naar het toilet, liep terug naar mijn plaats, en ter hoogte van zijn stoel voelde ik iets tegen mijn blote been; de rug van zijn hand misschien. Ik begon meteen te trillen, want dat het geen toeval was, voelde ik gewoon. De rest van de reis zat ik te vechten tegen mijn lagere ik. Maar toen ik uitstapte – de volle warmte van dat tropische eiland die als een deken op je valt, die verleidende tokkelmuziek, de geur van de bloemen die ze je toesteken – had ik daar opeens zo genoeg van! Afgelopen! dacht ik, ik ben aan niemand gebonden en aan niemand verantwoording schuldig, ik kan doen wat ik wil, en als die vent toevallig in hetzelfde hotel logeert, grijp ik hem.

Nooit meer teruggezien natuurlijk. Ik vergat het weer, we hadden het zo druk met vergaderingen van de actiegroepen en demonstreren tegen de kernproeven, dat ik niet eens tijd had om aan seks te denken, en trouwens, ik deelde een hotelkamer met iemand anders. We hadden nauwelijks tijd om te eten, want er was altijd wel een fax te versturen of een telefoontje met het thuisfront te voeren, en de verbindingen waren slecht.

Maar toen kwam de dag van de grote demonstratie, waaraan delegaties uit tal van landen en van vele inheemse en uitheemse pressiegroepen deelnamen. We hadden die dag niets anders te doen dan, met bloemen en vlaggen getooid, in de stoet mee te lopen en te wachten als er gewacht werd, te rusten als er gerust werd, te luisteren als er gesproken werd en te hopen dat er weer een winkel of benzinepomp om de hoek lag zodat we water zouden kunnen kopen.

Dat had ik net gedaan, een grote fles, en ik zat even uit te rusten en te drinken op de weg omdat de stoet weer om de een of andere reden stilstond, toen iemand me om een slokje vroeg. Ik draaide mijn hoofd, het was een Franse jongen met een zwemvest aan, wat betekende dat hij van Greenpeace was. De bemanning van twee van hun schepen was juist die ochtend vrijgelaten door de Fransen; die jongens en meisjes droegen hun zwemvesten als teken van hun heldendom. Natuurlijk liet ik hem drinken, en hij deed zijn zwemvest uit om erop te gaan zitten. Hij bood mij een hoekje ervan aan. Daar zaten we en babbelden wat in gebrekkig Engels en Frans en hij lachte naar me en opeens zag ik dat hij knap was, op een ruige manier. Onze armen raakten elkaar af en toe, en het leek daartussen te knetteren, maar als het zo warm is lijkt alles te knetteren.

De stoet trok verder, en we verloren elkaar schijnbaar uit het oog. Maar ik zorgde dat ik niet ver achter hem raakte en af en toe zag ik hem omkijken – zogenaamd om te zien waar zijn kameraden waren. Maar één keer verraadde hij zich, want toen draaide hij zijn hoofd terug zodra hij mij in het vizier kreeg: hij had duidelijk mij gezocht. Op het grasveld waar de toespraken werden gehouden (wat lang duurt op Tahiti!), kwamen we “toevallig” weer vlakbij elkaar te zitten. Ik had op het laatste moment mijn collega gevraagd voor mij het woord te doen, dus ik had geen verplichtingen daar. Ik praatte met de jongen, en hoorde dat hij een ongeschoolde zeeman was, nog maar even in de twintig, die zich schaamde over zijn land en daarom zijn diensten aan Greenpeace had aangeboden. Ik vertelde hem maar niet wat ik deed – ik wilde hem niet afschrikken met mijn intellectuele bezigheden – en ik zei ook niet hoe oud ik was.

Eindelijk was de demonstratie ten einde en omdat Papeete maar een piepklein stadje is, namen we afscheid met het vertrouwen dat we elkaar wel weer tegen het lijf zouden lopen. Ik at alleen op een terras, dromend in de namiddagzon, en dacht aan zijn lenige lijf, zijn vereelte handen en vuile blote voeten en voelde voor het eerst sinds die vliegreis weer iets van opwinding.

Niet dat het ergens op sloeg – onze conversatie was geen moment naar het zinnelijke of zelfs maar naar het persoonlijke afgedwaald. De atoomproeven waren het onderwerp van gesprek, en het brute optreden van de Franse militairen jegens de mensen van Greenpeace. Toch zag ik een vonk van persoonlijke belangstelling in zijn ogen toen we elkaar 's avonds troffen in de open bar aan de boulevard, en hoewel hij verder niet met me praatte, kocht hij een bloemenslinger voor me die de rest van de avond zwaar geurend om mijn nek hing.

Er was enige opwinding: het prehistorische scheepje van de Cook-eilanden, door een ploeg sympathiserende Polynesiërs helemaal naar hier geroeid, was aangekomen. De Nederlandse en Deense met wie de jongen stond te praten, schenen opgewonden te raken door de gedachte aan de sterke bruine armen aan de riemen van het houten bootje. Ik, als genegeerde gesprekspartner, nam de tijd om zijn zwarte nagels te bestuderen, zijn verwaarloosd gebit, zijn nog altijd blote maar nu nog vuilere voeten, zijn scheve glimlach, en me te verbazen over mijn belangstelling voor zo'n haveloos joch. Mijn echtgenoot had zich zowel uiterlijk als geestelijk tot in de puntjes gesoigneerd.

Ik vertelde hem in welk hotel ik logeerde.

Ik droomde van hem.

De volgende middag lag er een brief bij de receptie met een tijd en plaats, Michel. Michel? Natuurlijk, Michel.

Ik ging op de afgesproken tijd naar de afgesproken plaats.

“Bijna was ik niet gekomen,” zei de jongen, en hij wilde niet uitleggen waarom niet. We slenterden de straat op. Ik droeg een gewone spijkerbroek en een zwart hemdje; ik wilde me niet belachelijk maken door opgetut naar een afspraakje te gaan met iemand die mijn kleine broertje zou kunnen zijn. Maar ik had mijn mooiste slipje aan.

We liepen de kade af naar een haventerrein. Daar zaten we op een stenen rand en dronken samen een blikje cola uit een automaat die daar hing voor de havenarbeiders. Het was de enige keer dat ik cola lekker heb gevonden. Michel praatte over een boek dat hij kortgeleden gelezen had; hij was onlangs begonnen met lezen. Hij vertelde over een film die ik moest zien – hij had zijn geestelijke ontwikkeling voortgezet in de bioscoop. Hij vertelde me dingen over het leven die als openbaringen voor me waren, al zou ik ze niet na kunnen vertellen. Ik zei niet zoveel. We slenterden het havengebied weer uit, in de richting van de stad. Geen van ons tweeën durfde hardop te zeggen dat we niet wisten wat we met elkaar aan moesten. Allebei deinsden we ervoor terug toe te geven dat we ook nog geen afscheid wilden nemen.

Papeete sliep in. Alleen van ergens boven klonk nog muziek. Het leek een bar te zijn, helder verlicht; er voerde een lange stenen trap naar toe. Michel tilde me op en droeg me naar boven. Zomaar. Ik weeg meer dan zeventig kilo. Zijn adem rook naar cola en ongepoetste tanden; hij deed zijn best niet te hijgen. Boven zette hij me niet neer, maar droeg me helemaal naar de ingang, onder de ogen van de jongeren die in de raamloze bar aan tafeltjes hingen. Over de drempel zette hij me neer. Hij glimlachte in mijn ogen. Ik glimlachte terug en zag dat hij groene ogen had. Ik was nog nooit een trap op gedragen.

We vertelden elkaar, schijnbaar zonder bijbedoeling, hoe we gehuisvest waren: ik met een ander op een kamer en hij in een jeugdherberg. Na nog twee boeken en wat filosofie van de straat gingen we weer naar buiten. We leken de enigen die wakker waren buiten. Er scheen geen doel te liggen in ons slenteren.

Toen sloeg Michel een zeemansarm om mijn nek en zei iets van “Neem terug die woorden” – ik moet een grapje gemaakt hebben. Hij probeerde me neer te drukken. Ik wrong me naar achteren en gaf een knietje in zijn knieholte. Michel gooide me op de grond. Ik worstelde om los te komen. Hij legde een van mijn armen dwars voor mijn keel en klemde die vast. Ik gooide mijn heupen op, wierp me op mijn zij, kroop door zijn arm heen en was los. We stonden weer, en even later lagen we weer. Toen hij mijn polsen tegen de tegels drukte en ik krampachtig mijn schouders van de grond hield om niet verloren te hebben, werd ik me bewust van waar we lagen: in de galerij van een winkel met stalen rolluiken voor de etalage, waar ik overdag dure kleren had zien hangen. Op de boulevard van Tahiti, land van bloemen en kokospalmen, lag ik midden in de nacht met een vreemde Franse jongen te worstelen. Ik verslapte.

“Geef niet op,” fluisterde Michel in het Frans. “Dat is niet leuk.”

Ik kan me niet herinneren hoe ik mijn hotel weer heb bereikt. Opeens was het over, dat weet ik nog.

Ik sliep onrustig, die nacht, en werd wakker met een schijnbaar onblusbare opwinding in mijn schoot. Die middag was er een receptie, met de robuuste bemanning van de Cook-eilanden als eregasten. Hun kapitein, een grote Polynesiër met een voor die contreien ongewoon brutale oogopslag, trok mijn aandacht – maar hij zag mij niet. De bemanning van het traditionele bootje had zich niet verkleed; ze droegen lendendoeken en verfstrepen op hun borst. Zelfs als hij alleen maar zijn glas naar zijn mond bracht, veranderden de spierbundels in de armen van de kapitein van vorm. Ik staarde, maar hij staarde niet terug. Pas toen ik werd lastiggevallen door een naar drank stinkende lokale zakenman die kennelijk op alle feestjes kwam, leek hij mij gewaar te worden.

“Als ik je moet redden, zeg je het maar – hij is mijn oom.” Hij torende boven me uit. Ik zag vrouwenhoofden in onze richting draaien. Ik spande mijn borst en schudde mijn paardenstaart.

“Graag,” zei ik. Hij keek me even aan met donkerbruine ogen. De oom droop vanzelf af. De kapitein maakte een man-van-de-wereld-grapje over dat het hem geen kattenpis leek om een mooie vrouw te zijn.

“Ach,” zei ik, “je hebt het tenminste voor het uitkiezen.”

“Voor jouw informatie,” zei hij, “ik ben hier de meest begeerlijke man.”

“Dat had ik al gezien,” zei ik.

Hij keek me even aan en verdween in de menigte. Even later trad hij met zijn bemanning op in een regionaal ritueel, dat soms aan een vechtdans deed denken, en een machtig brullen van strijdkreten behelsde. Ik zag de spieren in zijn borst en dijbenen zwellen en dacht – niets, dacht ik, laat ik nou maar niet denken. Toen de meeste gasten al begonnen weg te gaan, zag oom zakenman zijn kans weer schoon en probeerde me de naam van mijn hotel af te troggelen. De kapitein kwam quasi zonder opzet dichterbij. Ik haalde het kaartje dat ik in een plaatselijke boekhandel had laten drukken te voorschijn en stak het de kapitein toe.

“Je neef zal wel beslissen of je het mag hebben,” zei ik.

Op weg naar huis, te voet door de zwoele nacht, vroeg ik me verwonderd af wat er over me was gekomen. Was het de bedwelmende geur van een land waar het altijd zomer was? De warmte die mijn bloed verdunde? Het feit dat ik geen keurige completjes droeg, maar topjes die zon en wind toestonden mijn borsten te strelen? Of was ik altijd al een loopse teef geweest en had ik alleen maar te laat mijn relatie beëindigd?

De volgende dag lagen er twee briefjes bij de receptie: het zaktelefoonnummer van de kapitein, en een krabbeltje van Michel. Welja, dacht ik, waarom genoegen nemen met maar één prins?

Die ochtend was er een kleine demonstratie bij het standbeeld van De Gaulle, een die verboden was door de autoriteiten. Ik ging er toch naar toe en trof er iemand die ik de vorige dag op de receptie had gesproken. Hij was helemaal vanuit Martinique naar de Stille Zuidzee gereisd om zijn steun te betuigen aan zijn broeders in Frans Polynesië, en niet voor de eerste keer, want hij kende hier mensen. Hij nodigde me uit voor een ritje over het eiland, samen met paar autochtone gidsen. We spraken af voor de volgende dag.

De kapitein wilde weten wat ik met hem wilde doen. Dansen, zei ik. Kun je dat dan op onze muziek? Wie weet, zei ik.

Hij kwam onberispelijk gekleed, een witte broek omspande zijn machtige dijen, een open overhemd onthulde zijn nu egaal matbruine borst; pas nu viel me het vachtje in het midden op dat uitnodigend in de richting van zijn navel liep. Hij bestelde wijn en vertelde me dat hij niet alleen oermens speelde, dat hij ook nog gewoon geld verdiende, maar ik snoerde hem de mond voor hij kon vertellen waarmee. Hij hield zich aan alle regels, hij vroeg me of ik wilde dansen en ik klampte me stevig aan hem vast om het ritme te pakken te krijgen. Hij rook zoet en vreedzaam, zoals alle mensen in deze streken, maar ook naar muskus en een overvloed aan mannelijke hormonen. We kregen het warm van elkaar en we zweetten, en daar lachten we om, en hij maakte me complimentjes over mijn dansen en ik zei hoe heerlijk ik het vond om geleid te worden door een sterke man, en we deden precies zoals het hoort, maar ik voelde me daar zo lekker bij dat ik mijn borsten even tegen hem aan drukte en toen was het afgelopen met de beleefdheid en kon ik voelen dat hij een slip droeg en geen boxershort en ook ongeveer wat hij in huis had: iets wat even krachtig gebouwd was als de rest van hem. Het was duidelijk dat we de nacht niet alleen zouden doorbrengen. Maar waar? Hij sliep bij zijn bemanning in het scheepje terwijl ik… en het stond vast dat een avond die met wijn en complimentjes begonnen was, niet plat op het strand kon eindigen.

Naast mijn hotel was een ander, een duurder zelfs, van uitstekende reputatie, maar je hoefde er geen bagage bij je te hebben om er de nacht door te brengen, alleen een creditcard. Vanwege het internationale gezelschap dat zich op het eiland verzameld had, was er maar één kamer vrij, en die namen we. Hij douchte voor hij in bed kwam.

Het was jammer dat zeep zijn lichaamsgeur verdrong, maar de lakens staken lichtend wit af bij de huid die zijn enorme borstkas omspande en zodra hij gulzig bezit begon te nemen van mijn lichaam, en de hitte van zijn bloed zich een weg baande naar zijn poriën, omhulde hij me weer met een wolk van mannelijkheid. Ik liet me beminnen, tot in mijn geheimste hoeken. En daarna hoorde ik zijn bekentenis aan dat hij niet had durven hopen dat ik, zo blond en blank en trots, hém had uitverkoren. Ik duwde mijn neus in zijn oksel, streelde het haar op zijn borst en dacht aan Michel.

De volgende dag lagen er vier briefjes bij de receptie. Een van de kapitein: wanneer ontmoeten we elkaar weer? (Zijn boot zou die avond weer van wal steken, richting Mururoa, waar de Franse arrogantie in hinderlaag lag.) Een van de zakenoom. Een van de Martinicaanse Albert. En een van Michel: Waar ben je toch?

Het was de stilte voor de storm. Elk moment kon de eerste kernproef komen – of niet. Er werd weinig meer vergaderd. Albert, zijn donkerbruine huid glimmend van zweet, leidde me rond die middag, en later zaten we bij een vriendin van hem thuis met de gordijnen dicht en dronken de rum die hij belastingvrij had meegebracht. We dronken er veel van, en dansten zachtjes op zachte muziek omdat het dochtertje van de vriendin lag te slapen. Albert had ook een dochtertje en het mijne was van dezelfde leeftijd; we werden sentimenteel. Ik viel in slaap met mijn hoofd op de leuning van de bank en deed of ik niet merkte dat Albert daar zijn arm onder schoof en met zijn vingers door mijn haren speelde en ze losmaakte uit de paardenstaart. Mijn Frans was niet helemaal goed genoeg of de alcohol te sterk, hoe dan ook kon ik niet verstaan wat hij en de vriendin mompelden, maar dat het over mij ging was zeker, en op een goed moment zei de vriendin opeens hardop: “Neem de kans, ze wil het” en toen deed ik of ik wakker werd en gaapte en vroeg om koffie.

Albert bracht me naar huis. Hij was kleiner dan ik en daar klaagde hij luidkeels over, we lachten veel en moesten even rusten op de stenen borstwering langs het strand, en Albert beet in mijn nek en zei dat hij dat al had willen doen toen ik lag te slapen, maar me niet had willen wakker maken, en toen zei ik dat ik niet geslapen had maar had liggen wachten tot hij zoiets zou doen, en toen lachte hij zijn tanden bloot tegen de nacht en boog voorover en hapte in mijn tepel, door mijn shirtje heen, en hij tilde me op en legde me op het zand en deed mijn kleren aan de kant en drong zonder verdere poespas naar binnen, maar dat gaf niet want ik was toch plotseling heel nat geworden – en ik kon niet veel meer doen dan mijn heupen naar hem opheffen; zelf vond ik dat nogal armzalig, maar voor Albert was het genoeg want het duurde niet lang of hij zuchtte in mijn haar: “C'est si bon avec toi, c'est si bon…” Daarna spreidde hij zorgzaam, zij het wat laat, zijn jasje onder mijn billen tegen het zand, ging tussen mijn knieën zitten en boog zich naar me over, zijn rug glansde zilverbruin op in het maanlicht, en toen ik klaarkwam keek ik recht in de sterren en vroeg me af of AIbert de kapitein kon proeven. Daarna deed ik mijn ogen dicht en dacht aan de goudbruine huid van Michel.

De volgende morgen hoorden we dat de Fransen hadden toegezegd de jongens en meisjes van Greenpeace hun paspoorten terug te geven. Daarvoor moesten ze naar het vliegveld, naar de douane, en wij ook want we dachten dat de gezagsdragers wel op hun tellen zouden passen als er vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap bij waren. Natuurlijk lieten ze ons uren wachten, dat wij onze veren opzetten werd met het treiterige geduld van de machthebber beantwoord. We zaten op het terras van het vliegveld bij elkaar: een paar Zweden, Nederlanders, Australiërs, politici en journalisten op hun frisse zomers, en die jonge idealisten in hun afgedragen kleren – en verveelden ons. Ik keek weer naar Michels voeten en zag dat zijn teennagels bezig waren in te groeien; ik bood aan ze voor hem te knippen met het schaartje van mijn zakmes. Hij legde die zwarte poot op mijn ecru rok en we keken er allebei een beetje verbaasd naar. Maar natuurlijk knipte ik zijn nagels en daarna bood hij aan mijn rug te masseren. Ik sloot mijn ogen en genoot van zijn aarzelende, bescheiden aanrakingen die toch een ontspannende uitwerking hadden. Daarna legde ik mijn hand even in zijn nek en voelde dat hij minstens zo gespannen was als ik, ik commandeerde hem naar een stoel voor mij en begon zijn schouders te kneden.

Er zijn twee manieren van masseren: met verstand, keurig van het hart af met aandacht voor de anatomie, én op het instinct, met je hele ziel en zaligheid. Ik deed het op de laatste manier. Ik voelde zelf waar de pijn zat en streek hem weg, ik opende een klopjacht op de spanning en verdreef hem uit Michels lichaam, ik drukte zijn angst en onzekerheid door zijn huid naar buiten en zond er warmte door naar binnen. En daaronder en daarachter smeulde, al die tijd, zijn verlangen naar mij dat ik vermomde als mijn verlangen naar hem.

De anderen deden alsof wij dat alles niet deden met elkaar.

De paspoorten kwamen niet los en Greenpeace belegde een vergadering, waarheen ik mezelf afvaardigde. De vergadering vond plaats op het smalle strand langs de boulevard; sommigen zaten op rotsen of boomwortels; Michel zat op een omgekeerde roeiboot en keek ernstig; hij peuterde een splinter of een zee-egelstekel uit zijn voet. Ik hoorde niet zo goed wat er gezegd werd. Misschien kwam het doordat mijn lijf de laatste dagen zo verwend was, of doordat ik al zo lang naar Michel had gekeken zonder hem aan te raken, of door onze vechtpartij op straat die in wezen iets heel anders was geweest; in elk geval begon het in mij te zoemen en te brommen en te zinderen van pure lust.

Zonder dat te hebben afgesproken, liepen we na de bijeenkomst samen weg voor een late lunch. We kwamen op het terrasje terecht van een peperduur restaurant, vooral omdat we niet hadden opgelet, en toen Michel van het bestaan van mijn creditcard gehoord had, bestelde hij met een grijns van genoegen het allerduurste op de kaart: een soort carpaccio van rauwe vis. We namen een hele fles wijn erbij. De zon bereikte ons net niet door het bladerdak van de pergola, maar loomheid nam evengoed bezit van ons.

Weer liepen we over straat zonder te weten wat, maar nu was het genoeg. Ik zei: “lk wil een strand waar niemand komt, waar we kunnen doen wat we willen doen. En snel, want ik houd het niet meer uit.”

Michels stem was werkelijk verstikt toen hij ja zei, ongelogen. We konden geen bus vinden en wisten, door al dat harde werken, eigenlijk de weg niet op het eiland, en toen we een bus hadden aangehouden bleek die te leiden naar dure hotels waar Franse en Duitse toeristen zich in de zon lagen vol te vreten, dus moesten we weer een andere bus zien te versieren, en het duurde alles bij elkaar uren, en de bus was vol zodat we bijna tegen elkaar aan moesten staan en ik voelde dat alles aan ons gezwollen was van onbevredigd verlangen. Anderen merkten het ook: vrouwen keken ons met opgetrokken wenkbrauwen aan, mannen met een glimlach. Het moest en het moest gauw.

Eindelijk, het schemerde al, kwamen we bij een eindpunt waar de zee door de bomen schemerde. Er was een muurtje, we klommen erover, spreidden onze kleren uit (handdoeken hadden we niet) en gingen erop liggen. Het was nog niet donker en zo beschut was het hier nu ook weer niet, met die enkele palm en dat lage muurtje. Opeens wisten we niet meer wat te doen. We keken naar de glorieuze zonsondergang, wachtten op het donker en lachten onszelf uit. Soms keek ik steels opzij naar zijn korte broek, waarin zich iets raden liet wat ik haast niet durfde te geloven.

Zwemmen dan maar?, stelde ik voor. We liepen opgelucht het warme water in. Ik sprong op en klemde mijn benen om zijn middel. Hij legde me achterover in het zoute water, mijn haar spreidde zich om mijn hoofd als zeewier, hij trok mijn broekje uit en begon met me te spelen. Het verlangen werd er niet minder door, eerder begon het te schrijnen. Het wateroppervlak weerkaatste het oranje zonlicht, maar daaronder zag ik een indrukwekkende verschijning de kop opsteken. We probeerden of we het onder water konden doen, maar het zilte water maakte alles stroef en we waren nu ook te ongeduldig voor spielerei; het moest en het moest nu. Michel trok me aan land, ik kon zo gauw mijn benen niet vinden en werd een stukje door het zand gesleept; hij gunde me de tijd niet om op te staan. Echt gezien wat me te wachten stond had ik nog steeds niet; Michel had zijn broekje nog aan en ik hobbelde maar zo dwaas achter hem aan. Ten slotte lagen we dan op onze kleren, druipend en wel, en grepen elkaar beet. Voor omhaal was geen tijd meer, het voorspel had al dagen geduurd, we stonden op springen.

We lagen in elkaars armen en Michel deed mijn bikini nu helemaal uit en ik zei dat mijn broekje was weggedreven en we lachten en Michel fluisterde “dit had ik niet eens gehoopt,” en ik vroeg waarom niet en hij zei dat ik te mooi voor hem was, maar ik zei onzin, je bent knap, en merkte je niet hoe ik naar je keek bij die demonstratie en hij zei nee, ik dacht dat ik naar jou keek en ik lachte en streelde over de bobbel in zijn korte broek en ik zei: “Hou nou je mond maar en trek dit eens uit.” Hij zoende me. Mijn hand tastte naar zijn penis en ik sloot hem eromheen en ik hield mijn adem in en dacht: als ik mijn ogen opendoe, is hij verdwenen. Dus hield ik ze dicht en zoog zijn mond vast aan de mijne. Toen ik bijkwam, hoorden we stemmen. Het was nu donker. Twee mannen waren het, misschien een verliefd paartje, want ze klonken intiem en teder. Ze liepen ons voorbij zonder ons te zien en we wilden net opgelucht ademhalen, toen ze vlak bij ons, echt vlakbij, maar drie of vier meter van ons af, gingen zitten en hun gesprek op gedempte toon voortzetten. Ze wisten niet eens dat wij er waren. Dus hielden we op met hijgen en probeerden onze naakte lijven een beetje te bedekken met onze kleren, maar daarvoor waren we te luchtig gekleed geweest, het haalde niks uit. We lagen zo stil als we konden. En wachtten. En grinnikten zachtjes in elkaars oren.

Nog langer wachten! Dit was niet waar, het was een anekdote van iemand anders! Als we even helemaal stil waren, zag ik zachtjes iets schokken in het donker, dat was zijn pik die zich verheugde op wat steeds maar niet leek te kunnen komen.

Na een hele tijd stonden de mannen op en liepen door, dicht bij elkaar. We keken op ons horloge en zagen dat het drie kwartier geduurd had, en Michel zag nog iets anders: “Shit! Ik moet gaan, weer een bijeenkomst!” We kleedden ons haastig aan en holden naar de weg; geen bus te bekennen dus we liftten terug.

De man die ons meenam, wilde mij gerust naar mijn hotel brengen – ik ben ervan overtuigd dat mannen het kunnen ruiken als je opgewonden bent – maar ik bedankte hem vriendelijk en zei dat ik de rest van de weg wel zou lopen. Voor hij in het Greenpeace-hoofdkwartier verdween, fluisterde ik tegen Michel: “Ik weet een hotel, ik wacht hier.”

Natuurlijk wachtte ik niet de hele tijd, ik verkleedde me, sloot me aan bij een groepje collega's en ging dineren, maar daarna liep ik terug, met mijn creditcard op zak.

We kregen dezelfde kamer als die ik met de kapitein had gedeeld, maar natuurlijk kon ik Michel niet uitleggen waarom ik moest lachen.

Eindelijk zag ik hem naakt. Ik snakte naar adem. Kon het? Kon iemand zo groot, zo recht, zo mooi, zo smakelijk en tegelijk zo liefgeschapen zijn? Ik kon er met gemak mijn beide handen, boven elkaar, omheen sluiten. Nu begreep ik waarom hij, ondanks zijn slechte tanden en vuile voeten, het lef gehad had om mij aan te spreken. Een man met zulke natuurlijke gaven had geen reden om bescheiden te zijn.

Michel was zo ruw als toen hij me tegen het trottoir had gesmakt, en zo teder als toen hij me de trap op droeg. Hij was zo begerig als in het chique restaurant en zo bedeesd als de avond dat hij een blikje cola met me deelde. Hij was zo onverstoorbaar als die ochtend op het vliegveld. Hij naaide me, maar stond geen bevrediging toe. Hij vingerde me, en drukte me terug in de kussens toen ik machteloos probeerde mijn lippen om dat machtige deel van hem te sluiten. Hij tilde me op en zette me op mijn knieën en drong weer binnen, maar vlak voordat hij zou klaarkomen was hij weer uit me en meteen daarna voelde ik zijn tong tussen mijn benen spelen. Ik hijgde dat ik zover was, en weg was hij weer, hij gooide me op mijn rug, kuste mijn borsten met ondraaglijk lichte kusjes en spreidde mijn benen met zijn knie. Even later ramde hij in me, kort, hevig, tot hij klaarkwam en ik vol verbazing bleef liggen – ik had nooit geweten dat ik zoveel bergen kon, en dat pijn zo aangenaam kon zijn. Nog tijdens de laatste samentrekkingen van zijn onderbuik begon hij me te zoenen, wild, en hij verslapte niet, maar bewoog nog zachtjes terwijl zijn vingers zich een weg naar beneden baanden, op zoek naar mijn knopje. Te lang, het duurde te lang! Maar bij zijn eerste aanraking spatte ik uit elkaar in duizenden neutronen en louter energie.

De eerste kernproef vond die volgende dag plaats. Wij kregen het druk met het schrijven van protesttelegrammen, met nieuwe actievergaderingen en het volgen van de rellen die uitbraken. Het vliegveld brandde; een woedende bevolking dreigde de olieopslagtanks in de hens te jagen. De jongens en meisjes van Greenpeace werden geëvacueerd omdat het gerucht ging dat de lokale middenstand zich op hen zou revancheren. Naar verluidde zaten ze op een naburig eiland in de zon.

We waren voor niets gekomen. Ontmoedigd, mat, ontgoocheld, gaven de activisten het op; huurden auto's, lagen in de zon, bezochten naburige eilanden. Zodra het vliegveld weer openging, verdrongen ze zich bij het boekingskantoor. Tahiti werd overgelaten aan de straling van zon en gespleten atomen. Ook mijn kamergenote en ik regelden onze terugvlucht.

Toen ik mijn sleutel inleverde bij de balie, kreeg ik een bosje boodschappen aangereikt, de een nog dringender dan de ander.

Albert vroeg mij om mijn thuisadres.

De kapitein nodigde me uit op Tonga.

De oom in zaken gebood me op zijn jacht te komen.

Albert meldde dat hij vertrok en vroeg me hem meteen te bellen.

De kapitein gaf een reisschema door.

De oom had opnieuw gebeld.

Albert had het tijdstip dat zijn vliegtuig vertrok opgegeven.

Albert deed me de groeten, gaf me zijn adres en smeekte me hem te schrijven.

De kapitein vroeg of ik liever had dat hij terugkeerde naar Tahiti.

De kapitein had gebeld, geen boodschap.

Er was ook een berichtje van Michel: Kon ik naar het naburige eiland komen? En het adres van zijn moeder in Frankrijk.

Ik pakte mijn koffer en de tas met mijn laptop, knikte naar de receptioniste en liep naar de uitgang. De stapel berichtjes liet ik onderweg in een prullenbak vallen.

O ja, ik was vrij!'

 

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  1 comment for “Een prins of drie, vier

  1. Anoniem
    19 april 2011 at 07:10

    Hoe langdradig

Geef een reactie