'Enkelspel?'

1. LESLEY

Vol wellust en uitdagend kronkelt ze op het vuurrode laken haar onderlichaam naar me toe, de linkerknie optrekkend, haar hand intussen kordaat naar beneden glijdend waar vervolgens haar wijs- en middenvinger gretig en onbeschaamd slijmdraadjes trekken in dat wat zojuist nog ons middelpunt van de wereld was.

‘Toe nou!’ Haar stem klinkt berookt en hees.

‘Nee mevrouw Vanmarsenille,’ schraap ik mijn keel, ‘het gaat niet: ik heb echt nog een hoop werk voor de boeg.’

‘Ja, begrijp ik wel, maar na vijf minuutjes ben je hier weg, beloofd!’ Ze tuit haar lippen als een klein meisje. ‘Alsjeblieft, Lesleytje,’ kirt ze. Krolser kan het niet.

Ik zie hoe ze intussen met beide handen zeg maar alle registers frontaal opentrekt – op z’n minst een erg ordinair beeld. 

‘Zet dat lekker mondje van je nog eens op dat van mij, kom!’ kreunt, smeekt ze.

‘Likken. NU!’ beveelt ze plots als ze merkt dat ik me verder aankleed.

‘Jij bent verdomme een kleine profiteur, ‘n  doortrapt boefje! Mijn zakje leeg, laat de rest maar stikken – zo een type ben je!’ Vol venijn bijt ze het me toe. Om dan weer die commanderende toon van haar aan te slaan: ‘Lesley, kleine schelm van me, DOEN wat ik je gezegd heb – NU!’

Ze ratelt die woorden met een soort van strengheid die rillingen over mijn rug laat lopen en me bijna doet twijfelen, terwijl ik onhandig en zeg maar vrij hulpeloos mijn linkerbeen in mijn broekspijp probeer te wurmen.

‘Nope,’ zeg ik kort, met licht bevende stem, terwijl ik mijn broek rond mijn middel trek. Ik ben eerlijk, heb nog heel wat te doen, al konden vijf of tien, laat staan vijftien minuutjes er natuurlijk nog wel vanaf. Maar mijn hoofd staat er eenvoudigweg niet naar om met mijn tong in mijn eigen smurrie te gaan rotzooien. Mijn appetijt was, door het orgasme van zojuist, nu eenmaal gesmolten als sneeuw voor de zon. Ik had een heerlijke hoofdschotel achter de kiezen, in een glibberige oester als nagerecht had mijn maag écht geen zin. Het probleem is dat zij mij hààr probleem op me afschuift, met name een overdreven, ongebreidelde eetlust. Ik wil geen indigestie.

En ja, intussen voel ik me heus wel geïntimideerd door haar ‘spel’ en wil hier zó snel mogelijk weg.

‘Lesley, luisteren én terug op je plekje komen liggen!’

Op je plekje… hoe durft ze het zeggen. Wat ze aanklopt op de matras is in feite de plaats van haar man, een verwaande veertiger, zo’n schijtkerel in afgeborsteld maatpak die op je neerkijkt en je behandelt als het vuil van de straat. Iemand met een Rolls Royce onder zijn kont, die in zaken doet, in big business, maar vraag me niet wat (dat interesseert me ook geen reet), ik weet enkel dat ie zowat constant in het buitenland zit.

 

2. MEVROUW VANMARSENILLE

‘Ongehoorzaam ventje dat je bent. Is het zo dat je je klanten behandelt? Fraai hoor!’

Maar Lesley negeert mijn woorden. Heeft zijn hemd in zijn pantalon gestopt en knoopt z’n gulp dicht. Godverdomme, wat denkt dat ondankbaar schepsel wel niet? Hij vernedert me zowaar! Nijdig trek ik het laken over me heen, ik denk dat mijn ogen, als ze konden, kerven in zijn lijf sneden.

‘Deugniet dat je bent – terwijl je hét verdorie zo goed kunt. Waarom zit er verdomd een tong in dat mondje van je als je ze toch niet gebruikt?’

Frontaal ben ik, elke zin die ik uitspuw laat ik vloeken. Ik ben dan ook kwaad.

‘Sorry Jasmine.’

‘Sorry wie?’ Ik weet niet wat ik hoor, ik begin te koken.

‘Sorry mevrouw Vanmarsenille – sorry!’

Ik sta erop dat hij me Mevrouw noemt, ik wil onder geen enkel criterium dat we familiair worden. Zeggen gelijk het is: hij is van lagere afkomst; geen probleem daarmee, maar iedereen moet z’n plaats kennen, zo simpel is dat.

‘Sorry mevrouw – wat koop ik daar nu mee, hoerenjong dat je bent,’ counter ik hem.

Hèhè, ga ik misschien nu wat niet te ver? Nee: ik zeg gewoon waar het op staat, verdorie! Hij laat me gewoon stikken, dat joch van niks!

Hij mist een sok waar ie als een slungelige schooljongen onhandig op zoek naar is. Ik bekijk gelaten zijn doen en laten, best mogelijk dat hij een soort van spot en minachting voelt.  Ik hoop het zelfs!

Je bemerkt plots zijn opluchting wanneer hij het kleinood op het vloerkleed vindt, onder dat frivole zwartkleurig lingeriestukje van me, die body.  Terwijl hij zijn sok aantrekt, glip ik snel uit bed en bezorg hem een fikse oorveeg: je had zijn verkrampt gezicht moeten zien!  Ik grijp mijn kamerjas, doe die aan en vis uit de onderste lade van mijn nachtkastje een string die ik in een snelle beweging aantrek. En goh, die mep deed me echt wel goed, ik ben razend en heb zin om hem opnieuw te lijf te gaan – het schorremorrie.  Hij ziet er beteuterd uit, ocharme, als een jongetje dat ze net een oerslecht schoolrapport in z’n handjes hebben gestopt.

Op het moment dat Lesley de veters van zijn schoenen in orde heeft en opstaat vlieg ik opnieuw op hem af en geef hem een ruwe por waardoor hij pardoes weer op de stoel ploft.

‘Opstaan broekventje! Recht!’ duvel ik, hem niet bepaald zachtjes met zijn oorlel uit het zitje trekkend. ‘Kom, van mijn erf af, en gauw!’ Ik ben er me ineens bewust van dat ik hard schreeuw, haast op ’t randje van het hysterische af.

Ik duw hem de kamer uit, de overloop op, blijf hem aanporren en opjagen. ‘Komaan, sletteboy!’ Ik zie hem opkijken met de blik van een geslagen hond maar ik heb toch het recht te zeggen wat ik van hem vind, wat hij in mijn ogen is. Punt uit.

De hele toestand bezorgt me aangename rillingen… Op de gang drijf ik hem voor me uit en als hij de eerste twee, drie treden van de trap is afgedaald duw ik hem hard terwijl ik tegelijk, wat kwaadaardig, een voet voor de zijne steek waarbij hij pardoes zijn evenwicht verliest om pas negen, tien treden lager op zijn zij tot stilstand te komen.

Jongens, zo erg had ik dat ook weer niet bedoeld – ik krijg haast een hartstilstand!

 

3. LESLEY

‘Ben je nog wel goed wijs, trut!’ gil ik het uit. Ik verschiet van mijn felle reactie, tast naar mijn linkerenkel die pijnlijk aanvoelt. Het was hard vallen op die kille, witte brede trap. Van marmer, zoals veel in deze pompeuze villa. Eentje zonder ziel, een kast van een huis met grote kamers en lange brede gangen.

 ‘Sorry schatje, dat had ik zelf niet gewild, echt niet,’ sust ze terwijl ze zich over me buigt. Zelf is ze ook erg geschrokken. Als een overbezorgde moeder vraagt ze of ik ergens pijn heb (ja dus) en of ik dan wel ‘niks gebroken heb’ (neen, want ik kan rechtstaan en de resterende treden afleggen.) Mijn enkel ziet rood en is een beetje opgezwollen, maar ik kan er gelukkig nog wel op lopen.

Ontzettend complex is ze, ik krijg maar geen hoogte van haar. Ze doet me denken aan vroeger, aan mevrouw Thonon, de blonde lerares Frans in het eerste middelbaar. Qua verschijning maar zeker ook op het vlak van de gemoedsstemming: het ene moment verdacht aardig om luttele seconden later keihard de teugels in handen te nemen. Een vrouw als een woelige najaarsdag: uitbundige zon gevolgd door buien van striemende ijsregen en hagel. Wispelturig als de pest. Poeslief en gecultiveerd, dan weer vlijmscherp kattig en overlopend van dierlijke driften. Onvatbaar.

Maar nu was er weer die ‘andere’ Mevrouw Vanmarsenille.

‘Sorry bolleke, heb maar geen pijn,’ fluistert ze, poeslief. Ze neemt mijn gezicht in beide handen om vervolgens mijn lippen, neus, kin, wangen en voorhoofd een beetje theatraal te overladen met kleine troostende kusjes.

Een knuffelmoment dat voor mijn part eeuwig mag blijven duren. Ogenblikken vol warmte die ik koester. Ik zou willen dat de rest van de wereld nu ophoudt met bestaan en dat ik mijn hoofd op haar schouder mag leggen en dat ze me zachtjes streelt en troost: ik wil haar kleine jongen zijn, ik wil haar mama noemen. Maar dat laatste doe ik niet, ik durf het niet – hoe zou ze wel reageren?

Ja, ze zou mijn moeder kunnen zijn, ziet er in elk geval véél mooier en jonger uit dan dat vergif van een stiefmoeder van mij. Ik verloor heel jong mijn mama, heb zelfs geen herinneringen aan haar, en het besef dat vooral de moederfiguur in Mevrouw Vanmarsenille me aantrekt is nu glashelder.

En dan kijkt ze me weer diep in de ogen, zoals daarstraks, met die warme, lieflijke gloed in haar blik.

‘Je moet me geloven, Lesley, dat ik het zo echt niet had bedoeld,’ verontschuldigt ze zich andermaal. Ik knik flauwtjes en het volgende moment perst ze haar volle lippen op de mijne en schiet haar tong hartstochtelijk en tollend in mijn mond terwijl ik tegelijk haar hand tussen mijn benen voel glijden, het stof van mijn kruis masserend.

Een kieken zonder kop; ik weet op dit moment echt niet meer waar mijn hoofd staat. Mijn denken, of wat er op dit moment van overschiet verkeert in een soort van lichte roes maar bovenal voel ik het eensklaps terug broeien in die onderbuik van me. Terwijl ik haar tongkus driftig beantwoord, ga ik met een hand onder haar peignoir en constateer tot mijn grote verbazing dat het kruisje van haar string, die ze nota bene nog maar zopas vers had aangetrokken, al door en door nat is. Ik wil dat ding nu wel van haar heupen trekken om gewillig te doen waar ik zonet boven nog voor had bedankt en waarvoor ze zo chagrijnig en agressief, zeg maar ronduit vijandig op me was beginnen inhakken… maar ze duwt mijn hand weg, laat mijn mond los en zegt, nu weer helemaal koel, dat ze me niet verder wil ophouden.

 

4.  MEVROUW VANMARSENILLE

‘Wacht even, ik heb nog wat voor je,’ zeg ik terwijl ik hem naar de voordeur breng. Ik loop snel de woonkamer binnen, ben luttele seconden later terug met mijn handtas waar ik vervolgens iets uit grabbel om het dan in zijn hand te stoppen. ‘Hier, om het goed te maken. Enfin, eigenlijk ook omdat je het verdient want het was boven weer lekker met je – op dat laatste na dan; je weet wel best wat ik wil zeggen, hé Lesley!’

En reken maar, hij weet het wel!

Zonder het te bekijken stopt hij het briefje nonchalant in zijn broekzak, na een verlegen ‘dank u’ gemompeld te hebben. Grappig hoe nederig en vol schroom hij daar keer op keer weer op reageert.

‘En ook omdat je zo’n smakelijk kontje hebt,’ voeg ik er, extra plagend, monkelend aan toe, terwijl ik zijn bipsen met beide handen omvat en hem zachtjes naar me toetrek. Onze gezichten zijn heel kort tegen elkaar, ik voel zijn onrustige adem. Ik zie dat hij zijn lippen puur reflexmatig lichtjes geopend heeft, anticiperend, om het me makkelijk te maken. En dan hoor ik hem, gestimuleerd door mijn fooi én door een plots opkomend schuldbesef  – het zou er potdorie nog aan mankeren! – plots zeggen dat hij me nu wel graag likken wil.

‘Doe maar schatje,’ zeg ik – ‘want ik heb je er toch ook voor betaald.’ Dat laatste zeg ik na-tuur-lijk niet maar denk ik bij mezelf. Want ik moet ook niet gaan overdrijven.

Ik draai mijn tong hitsig in zijn oor en hijg hem toe dat hij mijn string dan maar moet uittrekken. Ik triomfeer, het is zo dat ik hem graag heb: mijn favoriete speelgoed waarvan de afstandsbediening zojuist nog haperde. Meteen zal ik hem doen knielen en zijn hoofd stevig naar me toetrekken. Ik betast hem nog een even met gulzige vingers in het kruis, ook symbolisch om aan te geven dat hij nu weer volledig de mijne is, en knoop dan mijn negligé open. Net op het moment dat de jongen het streepje textiel van m’n heupen wil schuiven, hoor ik gemorrel aan de voordeur.

 

5. JENNEFER

‘Jennefer! Al thuis?!’ roept mama verbaasd als ik de voordeur open.  ‘Moet je niet op tenniskamp zitten?’

‘Ik ben gevallen,’ zeg ik maar dat heeft ze snel door nu ze me op mijn linkerbeen ziet binnen hinken.

‘Maar zoetje, wat heb je aan je been? Toch niet erg?’ Mama zit zenuwachtig aan haar kamerjas te frunniken.

‘Mijn enkel verstuikt, omgeslagen bij het serveren.’

‘Doet het pijn, schatje?’

Het doet zeer, zeker als je je mama ziet. Maar ik verbijt mijn tranen, nu ik er me pas goed van bewust word dat er nog iemand is. Een jonge gast.

‘Een beetje.’

Waarom droeg mama op dit uur nog haar kamerjas? Waarom was ze nog niet gekleed? Stond ze misschien op het punt om een douche te nemen?

‘Kom eens in mijn armen, gekwetst vogeltje van me.’

Als ze me tegen zich aandrukt en me bedelft onder kussen merk ik dat ze fel naar transpiratie ruikt. Ze zal op het fitnesstoestel getraind hebben.

Maar wat doet rare kwiet hier? Zo’n engerd die me de hele tijd ongegeneerd zit te begluren, ja, met zijn ogen zit uit te kleden…  Ziet mama dat dan niet? Nee, ze heeft niets in de gaten, anders had ze die eikel meteen buiten gezwierd, zo ken ik haar. Wat staat die daar eigenlijk te doen? Ene die van deur tot deur leurt om mensen wat op te dringen, zo’n verkoper van niks? Gek is dat dat kereltje in de hal staat en niet aan de deur, en dat mama, toen ik binnenkwam, aan de sluiting van haar kamerjas stond te prutsen. Die zal, op het moment dat ze me aan de deur hoorde,  toch niet pardoes opengevallen zijn waardoor hij een inkijk kreeg… Bah, ik moet er niet aan denken dat hij, zo’n geobsedeerde kloot, mams in lingerie heeft zien staan. En dan zou het ook in zekere zin mijn schuld zijn dat ik mama in een gegeneerde situatie heb gebracht.

Brr, wat een engerd. Ik vind het haast ondraaglijk dat hij bij mama is terwijl ze daar zo naakt in haar peignoir staat.  Ik voel duidelijk dat er iets is. Dat mama zich niet op haar gemak voelt. Dat ze blij is dat ik er ben.

Het is een echt een onguur type, piercing in de kin, punkkapsel. Een agressieve verkoper die zijn voet tussen de deur heeft gezet: zoiets doe je niet, toch niet in zo’n chique wijk als de onze. En zeker niet als mama komt opendoen in een kamerjas: dan zeg je ‘excuseer me voor het storen, ik kom later wel eens terug als het u past. Nog een goedendag mevrouw.’ Maar zo’n hoffelijkheid is aan zo’n imbeciel duidelijk niet besteed. Dit is zo’n debiel zonder opvoeding.

Ik krijg koude rillingen als ik ineens bedenk dat hij wel eens een inbreker zou kunnen zijn, ik bedoel zo iemand die de zaak komt verkennen om dan later toe te slaan. Wat doet zo’n armzalig en smaakloos gekleed iemand anders hier in de wijk? Als hij iets kwam verkopen was hij wat meer trendy gekleed, niet dan?

 

6. LESLEY

‘Ik ga de jongen uitlaten,’ zegt mevrouw Vanmarsenille plots, doelend op mij, en dan, ietwat verontschuldigend, ‘hij is iets voor papa komen brengen.’

Ze spreekt over me alsof ik er niet bij ben, ze gunt me zelfs geen enkele blik meer. Alsof ik lucht ben.

‘Dag,’ zeg ik als ik naar buiten mank. Ik hoor de dochter met een frêle stemmetje ‘doei’ zeggen vooraleer de massieve inkomdeur kurkdroog achter me dichtvalt.

Haar dochter is een ranke prille nimf, net zoals haar mama blond en met blauwe kijkers. Een pracht van een tienermeid, nog geen handvol jaren jonger dan ik. Een klassegriet. Een geschenk van de goden. Een zaligheid van een meisje, eentje waarvoor er in de woordenboek te weinig omschrijvingen staan. Adembenemend schoon.

Mevrouw Vanmarsenille had me nooit verteld dat ze zo’n dochter had. Ik dacht hooguit dat ze nog jonge ukkies had…

Ik ken Jennefer van ziens, van op de manége waar ik zo nu en dan een vriend ga aanmoedigen. Iedereen kijkt er naar haar, de blonde amazone. Ze was van de ‘gegoede stand’, zo werd gezegd, en nu kon ik me daar wel iets bij voorstellen. Zou ze me herkend hebben?

Terwijl Mevrouw Vanmarsenille haar in de armen nam en troostte (en ze deed dat by the way krek op dezelfde manier als ze net voordien nog bij mij had gedaan…) had ik rustig de kans om mijn ogen eens goed de kost te geven. Op de manége werd ze ‘bourgeoistrutje’ genoemd, een ‘seutje’ ook, maar als je haar zonet zo zag staan in die tennisoutfit, merkte je een en al verleiding, zag je een betoverend prinsesje, maar eentje vol sensualiteit en erotiek, ontdekte je een lekker stuk en een geile stoot, om een kat maar eens een kat te noemen.

Ik heb haar zeker één keer zien lonken naar me: belangrijke lichaamstaal, om het zacht uit te drukken. Ik voel nog steeds die magie van onze kruisende blikken. De haartjes op mijn armen die recht omhoog gaan staan. Elektriciteit. Slik, slik.

Jennefer is een juweel, het bewijs ook dat God bestaat!

Tegelijk is er ook het besef dat ik hopeloos verliefd ben: smoor op een meisje met wie ik enkel de woordjes ‘doei’ en ‘dag’ uitgewisseld heb. Maar wat voor een ‘doei’: zo lief, zo meisjesachtig, zo zoetgevooisd, zo verleidelijk, zo hemels klinkend, immens uitdagend… ja, die zag me wel zitten, dat was wel duidelijk. Smoorverliefd ben ik.

Maar goed dat ze niet enkele seconden later was binnen gekomen: dan was het, om het zacht uit te drukken, volledig om zeep, dan was het regelrecht een ramp geweest en maakte ik nooit van mijn leven nog een kans bij haar. Terwijl ik die lakens van haar ook wel eens tegen mijn naakte huid wil voelen.

Ik hink naar mijn bromfiets, die ik discreet achter een haag had gestald, en hervat mijn werk. Zo’n tien huizen verder hou ik even halt daar ik benieuwd ben wat er in mijn broekzak zit. Het blijkt een briefje van twintig euro te zijn. Minder dan de vorige keer, maar toch genoeg om een CD te kopen: ik besluit om straks de laatste van The White Stripes te halen.

 

Een straat verderop heb ik opnieuw een aangetekende zending. Een vriendelijke vrouw doet open. Halflang zwart haar, sympathiek gezicht en kleine gestalte. Ik schat haar jonger dan mevrouw Vanmarsenille, zoiets rond de dertig. Ze draagt een zomers kort rokje en onder de geopende bovenste knopjes van haar hemdje komt een topje piepen.

‘Je draagt geen uniform?’ koestert ze enige argwaan.

‘Klopt mevrouw, dat heb ik nog niet: ik ben nog maar pas in dienst, vandaar.’

‘Aha, dacht ik het niet; ik had je immers nog niet gezien. Je bent wel aan aanwinst, moet ik zeggen – zo’n knappe en mooie jongen…’ (En dit is louter en droogweg letterlijk geciteerd!)

Ze is één en al verleiding zoals ze me aankijkt en vraagt of ik even binnen wil komen.

Als ik haar de beveiligde brief laat aftekenen, zie ik dat ze Erika Vanmarsenille heet. Is ook toevallig, zeg ik langs mijn neus weg, zojuist had ik in de Erasmuslaan nog een zending voor een zekere Peter Vanmarsenille. (Oh shit, bedenk ik me, mocht ik dat wel zeggen, is dit niet in strijd met de deontologie?)

‘Leuk,’ zegt ze opgewekt, ‘dat is mijn oudere broer.’ Ze vraagt hoe ik heet.

‘Lesley,’ monstert ze me dan, ‘mag ik je even om een gunst verzoeken?’

Tijd om te antwoorden laat ze me niet.

‘Ik ben boven met wat klusjes bezig en wil een kast verhuizen maar die is me te zwaar. Wil je me even een handje toesteken?’

‘Geen probleem,’ antwoord ik, denkend aan de klantvriendelijkheid waar de bazen zo fel op hameren. En wie weet zit hier wel een mooie fooi aan vast…

‘Ga maar, ze staat op de slaapkamer, je vindt het wel; ik kom zo.’

Op de betreffende kamer zie ik enkel een wand met ingebouwde kasten en twee nachttafeltjes die één geheel vormen met het bed. Erika staat plots achter me en begeeft zich dan naar het raam om de gordijnen dicht te schuiven. Dan laat ze zich uitdagend op het bed vallen.

 

7. ERIKA

‘Welke kast bedoel je?’ vraagt de leuke jongen.

‘De klus is al zo goed als geklaard,’ zeg ik, met pretoogjes.

‘Euh?’ Hij is één en al verbazing.

‘Ja,’ giechel ik, ‘jij bent een kast van een kerel en als jij je nu even naast mij legt, is de kast verplaatst, snap je?’

 

Jasmine had me tien minuten eerder in een sms’je laten weten dat de nieuwe postbode op weg was naar mij met een aangetekende. Peter en ik gaan erven van een oom, maar dit terzijde.

Haar dochter had hen bijna betrapt, het scheelde niet veel. Moet er niet aan denken. ‘Waag je kans, want hij is een knapperd en o zo een makkie’, had ze nog geschreven op het mobieltje, met drie uitroeptekens erachter. ‘Verzorg zijn enkel, de rest volgt dan wel. Beloof een fooi en het is zo geregeld. Betere, discretere en goedkopere service aan huis bestaat niet,’ meldde ze nog, gevolgd door een lachend gezichtje.

 

Doorheen de jaren zijn we de beste boezemvriendinnen geworden die je je maar kunt indenken. We hebben geen geheimen voor elkaar. Onze respectievelijke mannen hebben daar veel, zoniet alles mee te maken. Zij verwaarlozen ons, zijn pure workaholics. Werken werken werken – meer staat er niet meer in hun woordenboek. Hoewel je ons niet meer moet overtuigen dat ze buitenshuis enkel maar met ‘werk’ in de weer zijn. Aanwijzingen genoeg, maar soit: Jasmine en ik hebben besloten om op onze manier wraak te nemen. We spelen onder één hoedje. Wij, het zwakke geslacht, zullen onze echtgenoten eens een koekje van eigen deeg geven.

 

‘Ik zag je zojuist een beetje manken, heb je je dan ergens gekwetst?’ vraag ik, lief als een poesje.

Hij vertelt kort dat hij op een trap domweg enkele treden had gemist.

‘Kom, laat je enkel eens zien.’

Hij doet zijn schoenen en linkersok uit en legt zich naast me op bed. Dan ga ik aan zijn broekriem liggen frunniken, trekt zijn gulp ook open.

‘Wat?’ valt hij van de ene verbazing in de andere.

‘Doe die broek nou maar uit. Hoe kan ik anders je enkel verzorgen?’

Hij aarzelt.

‘Hé Lesley, je hebt toch geen schrik van me?’

‘Nee hoor,’ lacht hij, zijn zenuwen camouflerend.

 

8. LESLEY

Die cowboyverhalen waar oudere collega’s zo graag mee uitpakken waren dan toch niet het product van hun op hol geslagen fantasie. En dan draag ik nog niet eens een uniform, waarvan geweten is dat het een ontzettend erotiserende invloed heeft op vrouwen.

‘Mijn enkel is dààr, beneden, aan het einde van mijn linkerbeen,’ protesteer ik nog op het moment dat ze kordaat mijn onderbroek naar beneden trekt.

‘Weet ik wel, snoes – maar jij weet blijkbaar niet dat elk deel van het lichaam in harmonie moet functioneren met de rest?’

Phoew, een geleerde uitleg die mijn petje volkomen te boven gaat.

‘Doet je enkel nog pijn?’ vraagt ze lief, terwijl haar hand een vulling bevat die door het ritmisch gepomp van haar vingers sterk groeit en me een gewaarwording bezorgt die je als het complete tegenovergestelde van pijn kan omschrijven.

‘Misschien heb ook ik wél wat aan mijn enkel,’ zegt ze dan, me beneden loslatend, ‘wil je hem even onderzoeken?’ en voor ik kan antwoorden heeft ze haar rokje al uit.

 

‘Als je op mij komt liggen, zo dat onze enkels mekaar raken, dan kunnen we een partijtje tennis spelen. Enkelspel.’

Goeie God, waar haalt ze het?

‘Je mag serveren.’

‘Serveren?’

‘Ja, met de bal. Je ballen!’

Opgewonden gelach.

 

Dit is in nog geen uur tijd het tweede vreemde, echtelijke bed waarin ik de vrouw des huize lig te vogelen. Dit is te gek voor woorden, dit kan geen toeval meer zijn: ik ben super!

 

Ik zit in het zadel en snor door het leven, gleufjes vullend… Wat een hels lawaai. De wekker loopt af. Erika? Waar ben ik? Ik lig in mijn eigen bed, merk ik dan, op mijn kamertje. Shit, het is bijna 4 u, zo onmenselijk vroeg, maar wel hoogtijd om op te staan. Ik wrijf nog eens vlug de slaap uit mijn ogen en wip uit mijn bedstee. Vandaag is het mijn eerste werkdag, begin ik bij De Post. Zien dat ik keurig op tijd kom, want de allereerste keer al gelijk te laat komen, wat voor een indruk zou dat wel niet geven?

 

 

© giel

 

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  3 comments for “'Enkelspel?'

  1. WB
    19 mei 2007 at 15:15

    Goed, met gevoel voor humor, geschreven verhaal. Niet vreselijk erotisch maar heb er toch van genoten.

  2. 26 mei 2007 at 11:56

    kan er niet veel van maken. Zitten wel wat leuke passages in, maar verhaal is moeilijk te volgen. Einde is ook een beetje abrupt.

  3. 29 mei 2007 at 12:33

    Schrijven vanuit verschillende persoonsperspectieven is tamelijk moeilijk, moeilijk genoeg in elk geval om deze poging tot de minder geslaagde te rekenen. Noch in de dialoog, noch in het omlijstende taalgebruik weet de schrijver de potentie van deze verhaalstructuur echt goed te benutten. Verder veroorzaakt het (ook nog door elkaar) gebruiken van cursieven, haakjes en kapitalen verdere stilistische onduidelijkheid.

Geef een reactie