Geheimzinnig dorpje (1)

– Moederkoren, zegt de vrouw tegenover mij. Ik kijk haar nietbegrijpend aan.

– Erogot, verklaart ze, da’s engels voor moederkoren. Die graanziekte, weetuwel? Ga je erg gek van doen.

– Dood neervallen, bedoelt u?

Ze lacht me vriendelijk uit.

– Als je onvoorzichtig bent wel. Maar bij de juiste dosering ga je er alleen maar koortsachtig van hallucineren. Erg bijzonder, hoor.

– En daarom heet die stad zo?

– Het is geen stad. Meer een gehucht. Stelt u zich er niet te veel van voor…

– Ik hoorde dat er alleen maar potten wonen.

Weer dat lachje.

– Lesbiennes, verbeter ik haastig.

– Jaja. Ik weet wel wat potten zijn.

– Gaat u er ook heen?

Ze schudt haar hoofd.

– Niet dat ik denk dat u een pot bent, hoor. Of als u het wel bent, ook goed. Het gaat me niets aan, natuurlijk.

Ik zweet meer dan goed voor me is. Met mijn vingertop doe ik mijn stropdas wat losser maar het helpt geen moer.

– Het komt door de hitte, zeg ik terwijl de vrouw nog steeds ontspannen in de Opzij bladert.

– Wat komt door de hitte?

– Dat ik zo zweet. Dat wij zo zweten, bedoel ik. U zweet ook nogal.

Een ontspannen conversatie is nooit mijn sterkste kant geweest, maar ik heb wel gelijk. De vrouw zweet inderdaad bovenmatig. Ze draagt een wittig zomerjurkje.

– Het is warm, hè? zegt ze zonder van haar tijdschrift op te kijken.

De trein gaat een tunnel in en we verwelkomen de koelte.

Wanneer we weer in de felle zon rijden, legt ze haar tijdschrift weg.

– Catherina Blok, zegt ze terwijl ze me een elegante hand toesteekt.

Ik probeer niet te lachen om haar stomme naam en schud haar hand.

– Aangenaam. Lazarus Poepjes. Zeg maar Lazarus.

– Aangenaam, Lazarus. Wat voert je naar Erogod? Vakantie?

– Neenee. Werk eigenlijk. En rust. Mijn arts heeft me rust aangeraden. Ik heb nogal last van duizelingen wanneer ik… Ik bedoel: als het bloed uit mijn hersenen wegtrekt. Vooral wanneer ik…. Het is een nogal lang verhaal… U begrijpt het wel.

Ze knikt begrijpend maar ze begrijpt er niets van. Ze verandert van gespreksonderwerp.

– Wat voor werk doe je, als ik vragen mag?

– Dat mag je vragen, maar het is nogal geheim. Kan ik op je discretie rekenen?

Ze knikt en zet haar zonnebril recht. Scheef was leuker. Zelf zet ik mijn zonnebril juist scheef, en daarna af. Ik heb hem niet meer nodig. Als je met iemand praat, mag je haar bekijken. Het is een perfect alibi en het kan geen kwaad – zelfs niet in mijn toestand. Ze zet de hare ook af.

– Ik schrijf voor “Pizzeria’s International.” Ik doe veldonderzoek.

– O. Interessant. Maar ik weet niet of ze wel pizzeria’s hebben in Erogod.

– Ja, die hebben ze.

– Ik ben dol op pizza’s.

– Pizze, verbeter ik, mag ik je uitnodigen?

– Ik heb geen tijd.

– Jammer. Waarheen voert de reis, als ik vragen mag?

– Dat gaat je niks aan.

Ze lacht er vriendelijk bij. Ik schrik ervan. Nog maar een uur van huis en ik krijg al symptomen. Voorlopig ben ik niet bezorgd. Het zijn milde symptomen. Ze worden niet erger. Voor de zekerheid tel ik inwendig tot tien.

1… 2… 3…

Ze ziet er leuk uit in het jurkje.

4… 5… 6…

Ze ziet er veel te leuk uit in het jurkje.

7… 8…

Ze gaat verzitten op een manier die…

9… 10…

…op een manier die…

Waarom gaat ze nu verzitten? Het was helemaal niet nodig en zeker niet op die onelegante manier. Had ze misschien last van zweterige…

Niet aan denken.

1… 2…

Tellen helpt niet meer. Ik ga over op rekensommen. Ondertussen kijk ik naar buiten en druk mijn hand in mijn schoot.

– Is er iets? vraagt Catherina Blok bezorgd.

– Nee, niets. Wat is dat voor kasteel?

12 x 16 = 152.

– Gewoon. Een kasteel. We zijn bijna bij Erogod.

18 x 27 = 486.

Bezorgd buigt Catherina Blok zich in mijn richting. Vanuit mijn ooghoeken lijkt haar decolleté…

88 x 9 = 792.

– Weet je zeker dat er niks mis is? Je wordt helemaal bleek.

54 * 43 = 2332.

Nee. 2322.

De symptomen worden heviger. Als ze het maar niet merkt. Ik sla mijn ene been over het andere.

– Dames en heren we naderen station Erogod. Reizigers voor Aluvet en Odolok worden verzocht…

Wordt verzocht. Het is: wordt verzocht.

Haastig haal ik mijn koffer uit het net. 31 x 15 = 465. Ik sta met mijn rug naar Catherina Blok. Het is onbeleefd maar het kan niet anders. Mijn hoofd suist. Ik wankel op mijn benen.

– Het was aangenaam kennis te maken, mompel ik terwijl ik de symptomen achter mijn koffertje verberg.

De trein mindert bruusk vaart. Ik duizel. Ik val bijna. Ik zwaai met mijn armen en onthul ongewild de beschamende toestand van mijn onderlichaam.

Catharina Blok noemt verschrikt de naam van het opperwezen en begint te stamelen.

– Wat een… Is dat..? Nee maar!

Ik wankel de coupé uit en slaag er nog net in haar een aangename voortzetting van de reis te wensen.

Mijn eerste stap op Erogot’s grond eindigt in een valpartij. Ik krabbel haastig overeind en zet het op een lopen, net zo lang tot ik koelte voel. De koelte van het bos.

Onder een bemoste eik haal ik mijn medicijn te voorschijn: ‘Stolichnaya – acht maal daags 1 dosis.’ Terwijl mijn broek pijnlijk weerstand biedt neem ik een slok.

17 * 22 = 374

De symptomen verdwijnen gestaag. Ik merk nu pas dat mijn gulp het onder de druk heeft begeven. Ik fatsoeneer de boel zo veel mogelijk en herinner me de woorden van mijn arts:

– Voor uw fysieke eigenaardigheid bestaat voorshands geen enkele genezing, mijnheer Poepjes. Slechts rust zal u goed doen. Een omgeving zonder erotische prikkeling. Met een geslacht als het uwe kunt u zich eenvoudigweg geen erecties veroorloven. Uw lichaam kan zo’n enorme hoeveelheid bloed niet missen zonder dat andere vitale functies eronder lijden. Heeft u er werkelijk nooit eerder last van gehad?

Boven mijn hoofd speelt het zonlicht met het bladerdak. De bomen stellen me gerust.

Ik stop met rekenen en neem een laatste teug.

– Only vodka from Russia is genuine Russian vodka, lees ik hardop.

Ik neem mijn koffertje ter hand en loop in de richting van de dorpskern. Het incident in de trein was een vergissing. Het zal me niet nog eens overkomen. Zeker niet in een saai plattelandsdorpje.

Ik verheug me op een paar gelukzalig saaie weken.

***

Ik hoef niet te vragen waar zich in dit dorp de pizzeria bevindt. Terwijl ik zuchtend op de brug sta, zie ik de gevel al. Op het plein kijkt de dorpsschone verbaasd in mijn richting, om vervolgens haastig de pizzeria in te vluchten. Kennelijk is men in dit achtergebleven gehucht geen bezoekers gewend. Op het station was ik ook al de enige. Of zou het te zien zijn, dat ik straalbezopen ben? Met een klap beland ik op het brugdek.

– Stomme trut, kun je niet uitkijken?!

Het meisje op de scooter, dat me zojuist van de sokken heeft gereden, kijkt geschrokken hoe ik overeind poog te krabbelen. Haar kinderlijke stemmetje stamelt een verontschuldiging. Dan dwalen haar ogen naar de inhoud van mijn koffer, die door de klap is opengesprongen. Mijn collectie pruiken, plaksnorren en valse baarden ligt verspreid over de grond. Het is meer uit gewoonte dan uit noodzaak dat ik ze heb meegenomen – in een wereldvreemde negorij als deze heeft natuurlijk niemand van Lazarus Poepjes gehoord – en nu ze zo schaamteloos op straat liggen tentoongesteld heb ik spijt dat ik ze ooit heb ingepakt. Wat moet het meisje wel niet van mij denken?

– Moet ik even helpen? vraagt ze terwijl ik, nog steeds bezopen over straat kruipend, mijn spullen bijeengaar.

– Neenee, het is al goed.

Ze begint te giechelen.

– Uw broek is stuk.

Dat is waar ook.

Terwijl ik met de ene hand mijn gulp dichthoud, probeer ik met de andere mijn koffer op slot te krijgen. Ze slaat mijn verrichtingen met milde spot gade.

– Weet u zeker dat u geen hulp nodig heeft?

Ik zucht en laat mijn broek voor wat hij is. Met beide handen sluit ik mijn koffer, geërgerd over zoveel gezichtsverlies op één dag. Dan pas zie ik de houten kist achterop haar scooter, waarop een logo in de vorm van een Venetiaans bruggetje prijkt. Ze is nog pizzakoerier ook – de belachelijke rood-wit-groene valhelm was eerlijkgezegd al een aanwijzing.

Bijna wekelijks word ik door pizzakoeriers aangereden. Het is de wraak van de pizzagod voor de vlijmscherpe stukjes die ik schrijf, en de fysieke ongemakken die mijn onderlijf me bezorgt is ook wraak: de wraak van de blote-vrouwengod voor de zondige gedachten die ik heb over strakgebloesde pizzameisjes met olijfolie.

Deze keer valt het mee. De alcohol heeft mijn lijf getemd. Hoogstens word ik een beetje warm van het scootermeisje met haar gewaagde rokje en de stoere tietjes, maar het kan ook door de zon komen.

– Ik woon vlakbij, zegt ze vriendelijk, als u even meeloopt kunt u zich bij ons wat fatsoeneren. Misschien willen ze bij de stomerij uw broek wel repareren.

Haar dorpse gastvrijheid stemt me mild. Met mijn koffer als een schild voor mijn buik, loop ik met het meisje mee. Ze heet Lia, zegt ze, en ze is de dochter van de pizzaboer. Ik verzwijg mijn beruchte naam. Ik zeg dat ik Chris heet. Chris de Loos.

– Komt u iemand bezoeken?

– Nee. Nee ik kom voor mijn rust. Vakantie zeg maar. Is hier misschien een hotel dat je me kunt aanraden?

– Bij Nikita is vast nog wel plaats.

Ze wijst naar een van de herenhuizen op het plein.

– ‘Pension Sensual’? Klinkt als een bordeel.

Lia heeft een binnenpretje.

– Dat moet je niet tegen Nikita zegen.

– Wordt hij zo snel boos dan?

– Nikita is geen hij. Nikita is een zij.

Raar dorp, waar de pensions als bordelen klinken, de vrouwen mannennamen hebben en de pizzascooters af en aan rijden alsof je in het centrum van een wereldstad bent. Er rijdt er alweer een voorbij en bij het terras van de ‘Ponte dei Sospiri’ zet een iets rondborstiger versie van Lia net haar helm op.

– Is dat je zus? vraag ik.

Ze knikt.

– Dat is Pia.

Binnen, in de koelte van de pizzeria, word ik voorgesteld aan Luciano, Lia’s vader, en aan ene Hanneke die iets met de bibliotheek van doen schijnt te hebben.

– Chris de Loos, zeg ik terwijl ik haar hand schud.

Ze kijkt me aan alsof ik een te laat terugbezorgd boek met koffievlekken ben, maar ondanks dat doet zich een aangename tinteling in mijn onderlijf gelden. Ik tel voor de zekerheid tot tien.

Achter, in een ruimte die nog het meest wegheeft van een washok, geeft Lia me de gelegenheid om mijn broek uit te doen. Ze blijft er min of meer belangstellend bij staan kijken maar dat vind ik niet erg.

In mijn onderbroek neem ik plaats op een van de koude keukenstoeltjes die bij het blankhouten tafeltje staan. Er zitten drie schone broeken in mijn koffertje. Ik zou er een aan kunnen trekken, maar ik ben te dronken om me er druk over te maken.

– Maatwerk, zegt Lia bewonderend terwijl ze mijn broek bestudeert en ze heeft gelijk: in verband met het representatieve karakter van mijn professie draag ik uitsluitend maatpakken.

Ze laat de stof door haar vingers glijden en begint de schade aan mijn gulp te controleren.

– Daar moet een nieuwe rits in. Ik zal Frits van de stomerij vragen of hij het meteen kan doen.

– Is Frits ook een vrouw?

– Nee. Frits is een man. Ben zo terug.

Ze werpt nog even een verbaasde blik op mijn sokophouders en keert terug naar het restaurant. Terwijl ze van me wegloopt doen haar billen allerlei leuks met haar rokje. Ik kijk er even naar, haal mijn sigarettenkoker te voorschijn en speur naar een asbak.

Lees vervolg

© Lazarus P

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  5 comments for “Geheimzinnig dorpje (1)

  1. 8 oktober 2007 at 21:10

    Dit is een buitencategorie, zo verschrikkelijk goed!

  2. 11 oktober 2007 at 10:34

    humor ! Heerlijk lezende fantasie.

  3. 13 oktober 2007 at 16:41

    Het is heel bijzonder, en dat is het…

  4. 13 oktober 2007 at 22:08

    Heerlijk charmant verhaal. Waarom kende ik dit nog niet? 3***

  5. 18 oktober 2007 at 13:57

    Een reisbeschrijving die ons met weemoed vervult naar de begintijd van Eroplaza en het dorpje. Lazarus, geboren P., had een prettig luchtige kijk op een en ander.

Geef een reactie