Geheimzinnig dorpje (3)

De negerin is arts. Ze geeft me een standje: – Men heeft u slapend voor de deur van de kerk aangetroffen, meneer Poepjes. En wat u allemaal uitkraamde toen men u wekte… En hoe u reageerde toen men u hulp wilde bieden… Nou, laten we het daar maar niet over hebben. Hoe dan ook: we hebben u voor de zekerheid enige tijd onder observatie gehouden en de hele grap gaat u vierhonderdvijfenzeventig gulden kosten. Wilt u hier even tekenen?

Ik moet een tijdje rekenen en ontsteek vervolgens in woede:

– Vierhonderdvijfenzeventig gulden?! Dat is bijna tweehonderdtwintig euro! U denkt toch zeker niet dat ik gek ben?!

– Over uw geestesgesteldheid komen we straks nog wel te spreken, mijnheer Poepjes. Voorlopig kan ik u melden dat vierhonderdvijfenzeventig gulden een koopje is. Een team van vier professionals is bijna een uur lang bezig geweest om u uit de kerktoren te halen en daarna heeft men nog een eeuwigheid op u moeten inpraten voor u uw kleren weer wilde aantrekken. Dus als u even wilt tekenen…

Mokkend zet ik mijn handtekening.

– Mooi. Nu, wat de diagnose betreft: naast een buitensporig alcoholpromillage is in uw bloed een behoorlijke dosis delta-lyserginezuurdiethylamide aangetroffen. Dat is link spul, mijnheer Poepjes. Daar moet u mee oppassen.

– Delta wat?

– Delta-lyserginezuurdiethylamide, herhaalt ze op didactische toon.

Ik begrijp nog steeds niet waarover ze het heeft. Ze buigt zich samenzweerderig naar me toe:

– LSD.

Ik reageer ontzet.

– LSD?! Hier moet een vergissing in het spel zijn. Ik ben toch zeker geen hippie?!

– De feiten spreken voor zich, mijnheer Poepjes. Uw ridicule gedrag was natuurlijk al een aanwijzing maar de laboratoriumresultaten hebben het laatste restje twijfel definitief weggenomen: u was aan het trippen.

– Mevrouw, met alle respect: ik trip niet. Toegegeven: ik ben een ziek mens; ik lijd aan een nare aandoening, waardoor mijn gedrag voor de buitenstaander soms wat buitennissig overkomt. Maar ik ben geen Jan Ullrich!

– Nare aandoening, zegt u…

Ze begint in een dossiermap te bladeren.

– We hebben, toen we eenmaal uw identiteit hadden vastgesteld, uiteraard onverwijld uw medische gegevens opgevraagd. Op welke nare aandoening doelt u precies?

– Het zal wel in dat mapje staan. Ik praat er niet graag over.

– Eens even kijken: voetschimmel blablabla gordelroos, vergrote lever blablabla aambeien. Ah! Hier zie ik het al: hypochondrie!

– Ik weet niet of het zo heet. U bent de deskundige. Ik weet in elk geval dat het verdomd vervelend is. Dat u tot op dit moment hebt verzuimd om mijn dossier goed te lezen, zal ik u maar niet kwalijk nemen, en de nare beschuldigingen over mijn vermeende drugsgebruik neem ik ook op de koop toe, maar ik ga er wel vanuit dat u die dwaze rekening verscheurt. Zo niet dan ben ik bang dat u met mijn advocaat, en vervolgens met het medisch tuchtcollege van doen krijgt. Kan ik gaan?

– Momentje, mijnheer Poepjes. Ik ben bang dat de zaken er niet zo eenvoudig voorstaan als u stelt. Hypochondrie kent vele uitingsvormen. Wat zijn in uw geval precies de klachten?

Ik slaak een diepe zucht.

– Mevrouw, u begrijpt hopelijk dat ik er niet graag over praat, maar als het dan echt moet: ik heb nogal last van een grote penis. Reeds bij de geringste seksuele opwinding raak ik lichtelijk verward en als ik vervolgens ook nog een stijve krijg zijn de gevolgen helemaal niet te overzien: plotselinge flauwtes, duizelingen, misselijkheid, noem maar op. Van de gebeurtenissen die tot mijn laakbare gedrag hebben geleid herinner ik mij, afgezien van een stapel autobanden, bijzonder weinig meer, maar ik twijfel er niet aan dat de oorzaak is gelegen in een beperkte bloedtoevoer naar mijn hersenen ten gevolge van een enorme erectie. Het was een warme dag, mevrouw de dokter. Daar word ik nogal geil van.

– Hm. Interessant, mijnheer Poepjes.

– Dank u.

– Nou, dan moeten we daar maar even naar kijken, denk ik.

– Kijken? Waarnaar?

– Naar uw enorme erectie.

– Bent u een haartje betoeterd!

– Als u even hier wilt gaan staan om uw broek te laten zakken. Dank u.

Terwijl ze ijverig in mijn dossier begint te schrijven, gebaart ze naar de plaats naast haar bureaustoel.

– Vooruit, mijnheer Poepjes. Ik heb niet de hele dag de tijd.

Enigzins onwillig kom ik bij haar staan en ontbloot mokkend mijn onderlijf.

– Is ie al stijf? vraagt ze zonder van haar schrijfwerk op te kijken.

– Ik vertrouw erop dat u weet wat de gevolgen van dit experiment kunnen zijn?

– Is ie al stijf?

– Als er ongelukken gebeuren, kan het medisch tuchtcollege het nog wel eens heel druk krijgen!

– Niet zo zeuren, mijnheer Poepjes. Gewoon even aan geile dingen denken, dan is het zo gepiept.

Ze wendt zich in mijn richting, werpt een ongeduldige blik op mijn onderlijf en slaakt een verveelde zucht. Dan kijkt ze me in de ogen en zegt:

– Ik wil je zien zwemmen op de golven van mijn witte vloed.

En:

– Ik wil je versieren met de glinstering van mijn overtollig sputum.

Statig begint mijn geslacht zich te verheffen – zekerheidshalve klamp ik mij vast aan het bureau. De dokter slaat het wonder met medische belangstelling gade en wacht op de eerste duizelingen. Gelukkig blijven ze uit. Binnen luttele sekonden heeft mijn prachtige lid zich getransformeerd tot een trotse stevige glimmende harde stoere geile dikke joekel van een neukstaaf.

– Da’s niet niks, hè? zeg ik zonder arrogant over te komen.

De dokter buigt zich voorover, zet haar bril recht en bestudeert mijn buitensporig viriele lid vanuit diverse hoeken.

– Zoiets hebben ze je op de huisartsenopleiding zeker nooit laten zien?

Ik leun nonchalant tegen haar bureau en kijk grijnzend op haar neer. De dokter neemt mijn kolossale paal onderzoekend in haar hand en knijpt er eventjes in.

– Oeh schatje, zeg ik grappend, doe je een beetje voorzichtig? We willen toch niet dat je charmante gezichtje straks gekleurd wordt door de regenboog van mijn ejaculatie, wel?

Mijn flirterige opmerkingen lijken haar te ontgaan. Ze kijkt verstrooid naar me op.

– Nee, zegt ze afwezig, nee, dat willen we niet.

Dan laat ze zich weer achterover in haar bureaustoel zakken, nog steeds zichtbaar onder de indruk van mijn stijve lul.

– Nou, mijnheer Poepjes, ik denk dat ik wel genoeg heb gezien.

– Groot is ie, hè? zeg ik met een knipoog.

– Nou, valt wel mee eigenlijk.

– Valt wel mee?!

– Ja. Valt wel mee.

– Mevrouw, met alle respect voor uw opticien: wat u zojuist in uw hand hebt mogen houden is toch minstens elf centimeter keiharde neukkracht. Als het geen twaalf is.

– Laten we het op elfeneenhalf houden.

– Precies.

– Dat is toch niet zo groot?

– “Dat is toch niet zo groot?” Mevrouw, u weet niet waarover u spreekt.

– Ik heb ze wel eens groter gezien.

– Groter? In your dreams, baby! Het is maar goed dat mijn huisarts me van het tegendeel heeft verzekerd, anders zou ik nu echt boos worden. Dokter Hofman heeft meerdere malen vastgesteld dat ik leid aan hypo… – wat was dat moeilijke woord ook alweer? – nou ja, maakt niet uit: aan een buitensporig grote lul.

Ze knikt bedachtzaam. Eindelijk begint de waarheid tot haar door te dringen.

– Hoe vaak heeft u dokter Hofman eigenlijk bezocht met uw klachten?

– Minstens dertig keer, mevrouw de dokter. Als dat geen betrouwbare diagnose oplevert, dan weet ik het niet meer.

– En welke behandeling heeft dokter Hofman u voorgeschreven?

– Als u uw vakliteratuur een beetje zou bijhouden…

– Mijnheer Poepjes! Wilt u niet met uw geslachtsdeel spelen terwijl u met me praat?

– Sorry. Als u uw vakliteratuur een beetje zou bijhouden, wist u natuurlijk allang dat voor mijn aandoening helaas nog steeds geen genezing is gevonden. De dokter heeft me daarom rust voorgeschreven.

– Rust…

– Inderdaad. Rust. Ver van het grotestadsgewoel waarin ik gewoonlijk verkeer.

– En waar dokter Hofman praktijk houdt…

– Mevrouw, ik weet niet wat u met die opmerking wilt insinueren, maar uw toon staat me helemaal niet aan!

– Mijnheer Poepjes, nou moet u eens even goed luisteren: u staat me nu al enige tijd te vervelen met de theorie dat uw ronduit ontoelaatbare gedrag van hedenmiddag te wijten zou zijn aan duizelingen ten gevolge van een exorbitante erectie. Ik heb uw exorbitante erectie zojuist bestudeerd en vastgesteld dat het allemaal wel meevalt. In de vijf minuten die we inmiddels hebben gepraat heeft u van duizelingen totaal geen blijk gegeven. Ik stel daarom vast dat u op zijn zachtst gezegd een beetje overdrijft en stel voor dat u voortaan van de LSD afblijft. Als u nu uw broek weer wilt aantrekken dan praten we verder nergens meer over. Desgewenst kunt u van mijn toilet gebruikmaken om te onaneren. Tot ziens.

Met stomheid geslagen sta ik luttele minuten later op straat. Het is avond geworden. In mijzelf mopperend over het betreurenswaardige gebrek aan medische kennis in dit dorp, wandel ik richting dorpsplein.

– Hee, klinkt een bekende stem, daar hebben we de blanke Bill Cosby!

Het is de bibliothecaresse die ik hedenmiddag al even heb ontmoet. Ze draagt een merkwaardig rubberen object met zich mee. De manier waarop ze me gadeslaat verontrust me. Ik groet haar beleefd en loop haastig door, op zoek naar een plek om de nacht door te brengen.

***

De Aziatische is receptioniste. Ze geeft me een standje: – Mijnheer De Loos, voor de derde keer: ik wil u met alle plezier als gast in ons hotel inschrijven, maar dan dient u zich wel te kunnen legitimeren.

– Mijn naam is Poepjes. Lazarus Poepjes.

– Daarnet zei u nog dat u De Loos heette.

– Dat was een vergissing. Hoort u eens juffrouw, ik leg het u nog een keer uit: mijn rijbewijs zit in de broek van mijn andere kostuum; de broek van mijn andere kostuum zit in mijn koffer; mijn koffer staat in het washok van de pizzeria en de pizzeria is gesloten.

– En uw paspoort zat in uw jasje, maar zit daar nu niet meer in en u weet niet waar het is omdat u een gat van negeneneenhalf uur in uw geheugen hebt. U heeft dit al drie keer verteld, mijnheer De Loos.

– Poepjes!

– Luister, mijnheer Poepjes: ik kan niks voor u doen. Probeert u het eens bij pension Sensual. Die hebben doorgaans wat minder moeite met het toelaten van vreemde snuiters.

– Daar ben ik al geweest. Die willen de deur geeneens voor me open doen. Het schijnt dat iemand in dit dorp allerlei smadelijke verhalen over mij aan het rondstrooien is. Men denkt dat ik niet deug. En men kent mij niet eens. Juffrouw, ik ben een volkomen normaal en beschaafd persoon. Mijn enige probleem is dat ik een enorm grote lul heb.

– O. Maar in dat geval valt er misschien wel te onderhandelen, zegt de receptioniste met een veelbetekenende knipoog.

– Meent u dat?

– Nee, natuurlijk niet! En nou opgedonderd anders bel ik de politie.

Op straat haal ik de laatste sigaret uit mijn koker. Ik zoek naar vuur maar vind het niet. Ook mijn wodkafles is pleite. En mijn agenda. En mijn portemonnee. En mijn tijdschrift met pornografische afbeeldingen. Eigenlijk mag ik van geluk spreken dat ik die sigaret nog gevonden heb. Ik vraag vuur aan een meisje op de straathoek en kijk recht in het lieve gezicht van een bekende.

– Hé, ouwe dichter! Ben je daar weer?!

Ik slaak een zucht van verlichting.

– Pia! Je weet niet half hoe blij ik ben om je tegen het lijf te lopen. En wel om drie redenen: (1) heb je een aansteker bij je? En (2) heb je de sleutel van de pizzeria?

– De sleutel van de pizzeria?! zegt ze terwijl ze me een vuurtje geeft.

– Mijn koffer staat daar nog binnen. Ik heb wel een kwartier aan staan bellen maar er deed niemand open en de buren…

– Ik heb geen sleutel!

– O. Dat is jammer.

– En drie?!

– Drie?

– Je had drie redenen!

– O. Ja, da’s waar ook, zeg ik met een blik op haar bloesje, nou, gewoon: omdat het leuk is om je te zien.

Ze giechelt.

– Grapjas! zegt ze terwijl ze me een vriendschappelijk tikje op mijn billen geeft.

Dan loopt ze door in de richting van het bos. Ik loop achter haar aan.

– Eh, Pia. Als je me het niet kwalijk neemt – nog bedankt voor je vuurtje trouwens – zou je misschien weten waar ik hier in dit dorp kan overnachten?

– Pension Sensual?!

– Eh, dat komt een beetje moeilijk uit.

– Hotel Kamasutra?!

– Daar kom ik net vandaan. Dat ging ook niet.

– De Bronstige Beer?! O nee! Die is failliet! Hihihi. Nee, dan weet ik het niet!

– Dan heb ik dus een probleem.

– Ja! Denk ik wel! Hihihi. Trusten!

Ze slaat een zijstraat in en wuift nog even vriendelijk naar me. Ik loop haastig achter haar aan.

– Eh, Pia. Misschien een beetje onbeleefd van me, maar: weet jij misschien een logeeradres of zo? Gewoon, bij iemand thuis, bedoel ik.

– Logeeradres?! herhaalt ze.

Ze begint diep na te denken. Het is een ontwapenend gezicht. Plotseling krijgt ze een idee:

– Volgens mij heb Lia nog wel een kamer over!

– Je zus?

– Ja! Je ken Lia toch wel?!

– Jazeker. Waar woont ze?

– Wie?!

– Lia. Waar woont Lia?

– Lia?! Bij mij natuurlijk! We hebben een flatje! Met zijn tweeën! Nou, da’s ook toevallig! Ik ga er net heen!

Nog geen uur later lig ik op een matras op de grond in een ongemeubileerde slaapkamer. In de ruimte ernaast babbelen Pia en Lia met elkaar. Terwijl ik in slaap val, ben ik me af en toe bewust van hun stemmen, waarin de onbezorgdheid van een pastorale jeugd doorklinkt.

Ach was ik zelf nog maar jong, mijmer ik. Maar ik ben niet jong meer. Ik ben aangeland op het midden van onze levensweg, in een donker woud, afgedwaald van de rechte weg.

***

Gedurende een week verneemt de buitenwereld weinig van me: ik pleeg research. Uit de dorpsbibliotheek leen ik een aantal boeken, die ik gulzig verslind – meestal in het gezellige huiskamertje van Pia en Lia, maar op al te warme dagen ook wel eens op het terras van de Brug der Zuchten. De dorpsbewoners laten me met rust. Slechts één maal word ik tijdens mijn lectuur gestoord door een afgunstige mannenstem: – Hee Poepjes! Wat zit jij daar interessant te doen met die boeken van je? Ik kan ook lezen hoor! Je denkt zeker dat je beter ben als de rest!

Een man van mijn intellectuele statuur wordt uiteraard wel vaker geconfronteerd met dergelijke rancuneuze uitvallen van het gewone volk. Ik laat me dan ook niet afleiden en lees geboeid verder hoe dokter Albert Hofmann op 19 april 1943, min of meer bij toeval, een geestverruimend stofje in moederkoren ontdekte, dat later bekendheid verwierf onder de naam LSD. Omdat de Franse naam voor moederkoren ‘ergot’ is, en het dorp waar ik mij bevind bijna dezelfde naam draagt, vermoed ik dat ik op het spoor ben van een sinistere samenzwering. Ik moet er alleen nog achter zien te komen wat moederkoren in het Italiaans is en dan is de plot voor een spannend avonturenverhaal compleet.

Verschrikt sla ik mijn boek dicht. Avonturenverhaal?! Op een erotisch bedoelde website? Wat moeten de mensen daar nou mee? Haastig schrok ik het laatste restje van mijn pizza segale cornuta naar binnen en verlaat het terras.

Ik moet mijn echtgenote bellen. Ze zal zich sowieso wel afvragen waar ik al die tijd heb uitgehangen. En aan dat logeren bij die twee meisjes moet ook maar eens een eind komen. In de vijf dagen die ik inmiddels bij hen overnacht, heeft er nog niet één erotisch voorval plaatsgevonden dat de moeite van het vertellen waard is. Van al dat rondrijden op die scootertjes worden ze zo moe dat ze bij thuiskomst meestal als een blok in slaap vallen en tijdens het douchen doen ze altijd de deur op slot. Ik kan natuurlijk gaan rondsnuffelen in hun klerenkast als ze er niet zijn. Daar liggen vast allerlei de verbeelding prikkelende slipjes en behaatjes die ik heftig masturberend kan besnuffelen en betasten, en er zijn vervolgens diverse fantasievolle plaatsen denkbaar waar ik mijn zaadlozing kwijt kan. Maar zit de lezer daarop te wachten?

Op het station neem ik de eerste trein in de richting van de beschaafde wereld. Er zit een dame tegenover me in een wittig jurkje. Ze leest een tijdschrift.

– Was het wat? vraagt ze.

– Het was… Het was betoverend… Het was geweldig.

– Echt?

– Ja echt.

– Maar je gaat toch maar weer eens ergens anders kijken?

– Ja. Maar ik kom nog wel eens terug.

***

© Lazarus P, ’s-Gravenhage, augustus 2002

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie