Heather

Het was onmogelijk vanaf het begin, Heather, je wist het, ik weet het nu ook. Ben ik af en toe bij je, zoals jij nog steeds bij mij kan zijn? Hoe lang is het al weer geleden… Vier jaar geloof ik, als ik het goed na tel. Die zesdaagse wandelvakantie is maar één keer opgenomen in het programma van de reisorganisatie, waarbij ik soms als gids fungeer. De reis is geschrapt nadat jij in je Toyota-pickup bent weggereden. Niet dáárom natuurlijk, maar voor mij was het wel passend, geruststellend haast. Het had een warme herinnering moeten worden; soms is het dat ook wel, maar nu, vanavond: het knaagt.

Kerry, Ierland: een wandelreis van Killarney naar Dingle Bay. Het was de derde dag, denk ik. Regen gutste onophoudelijk neer, nadat we de ‘Gap of Dunlo’ gepasseerd waren. Glijdend over bemoste rotsblokken, wegzakkend in het veen, waren we allemaal doorweekt en bek-af toen we beschutting zochten bij dat boerderijtje. Ik heb geklopt. Jij deed open in een werveling van rood haar, die m’n hart onmiddellijk verwarmde, zoals even later het vonkend vuur van de haard al onze kleumende lijven in korte tijd deed opgloeien. Je zette thee, en jouw warme apple-pie is de lekkerste geweest die ‘mijn’ gezelschap ooit heeft geproefd. Ik mocht telefoneren. Onze eindbestemming voor die dag bleek onhaalbaar.

Wat hébben we samen geïmproviseerd om voor iedereen een slaapplaats – op een matras, een paar kussens, in het kriebelende hooi ook – te regelen. Ja, je deed het graag, al was het alleen maar voor die onverwachte vergoeding, die je wel heel goed uit kwam. Het was geen vetpot bij jullie, eindjes aan elkaar knopen in feite. Waar was je man ook weer heen? Schapen verkopen, meen ik.

Je hebt die avond stew geserveerd. Ik weet nog hoe ik naast je stond, aan dat lompe aanrecht, en uien sneed. Met tranende ogen volgde ik je bewegingen, zag het mooiste groen van Ierland als jij je ogen op me richtte. Sindsdien is uiensnijden pijnigend voor me.

Je vertelde me van je twijfels over het bestaan in Ierland. Nee, zo’n band had je niet. Je moeder was Schots, vandaar je naam. Je kénde Schotland, verlangde er naar. Terwijl jij er over sprak, liep ik in gedachten met jou over dorre geitenpaadjes. Zolang jij die Schotse ballade zong, fantaseerde ik met jou – beiden voorbij midden-twintig – door glenns, langs lochs te lopen.

Wat waren ze moe, al vroeg ’s avonds. Rozig hadden ze hun slaapplaatsen al opgezocht toen wij in die auto stapten, ik me blij voelde dat jij die niet had gebruikt om ons op de eigenlijke ‘avondbestemming’ af te zetten. Zoals jij ferm je mouwen opstroopte toen je achter het stuur kroop: pas de volgende dag drong tot me door hoe viriel-erotisch dat bedoeld had kunnen zijn. Maar nee, dat deed je natuurlijk altijd zo. We openden hekken, sloten hekken, brachten een lam terug bij zijn moeder, voerden bij terugkomst de dieren rond je boerderijtje. We zeiden bijna niets, wierpen blikken van verstandhouding, genoten van elkaar, denk ik.

Alles was in diepe rust toen je die halve fles whisky pakte. We nipten twee glazen. Toen wees je me de badkamer en maakte het bed nieuw op, het enig logische voor jou en mij op dat moment. Wat lag ik daar later heerlijk, naakt op m’n rug, de armen onder mijn hoofd. De schoorsteen straalde de warmte uit van het turfvuur, beneden in de grote haard. Ik hoorde je spetteren en plassen in het vertrek ernaast. Toen kwam je binnen: soepel en teder bloot. “Een paar kilo er af…” dacht ik vaag. Als een hartsvriendin ben je naast me gaan liggen, schoongewassen, je wonderlijk blanke huid naar roze-rood verschoten. Nee, ik werd niet vurig, jij ook niet. We keken in elkaars ogen, naar elkaars lijven, ontspannen lachend. Je pinkte met je pinkje tegen m’n harde tepels, die alleen maar zo waren door dat behaaglijke uitrekken en gapen op dat zachte bed, de gloed van de schoorsteen. Het was gewoon de loop der dingen dat ik je aanraakte, je speels streelde, terwijl we zacht praatten. Hoewel ik het me achteraf nauwelijks kan voorstellen, vond ik volkomen vanzelfsprekend de plekjes die me nu zouden opwinden. We kletsten gewoon en ik raakte aan jou, jij raakte aan mij.

En toen… toen zweeg je plotseling en keek me aan. We wisten beiden dat er niets meer te zeggen viel, dat we elkaar alleen nog maar wilden voelen. Ik weet nog dat ik je borsten, je tepels proefde, raakte ontroerd toen ik je warme buik vlak boven dat rossig driehoekje kuste. Je trok me omhoog, dwong me in je ogen te kijken. We gleden tegen elkaar aan, bewogen langs elkaar, heel langzaam. Je trok me dichter naar je toe, zodat je bonzend vlees me in zich op leek te nemen. Nee, er hóefden geen kilo’s af, o zalig warm zacht lijf! Even waren we in Schotland, onder de sterrenhemel, alleen voor elkaar. Toen keken je groene ogen langs me heen, alsof je je iets herinnerde uit een vroeger leven. Ik merkte dat je adem instemde met de mijne. We dachten niet meer, we werden meegevoerd. Na kwartieren, uren… het moet zo ver zijn gekomen. Ik wéét het gek genoeg niet meer, maar dat heerlijk voldane gevoel komt terug als ik me herinner hoe je me kuste, we daarna in slaap gevallen zijn.

Toen ik wakker werd was je er niet meer. Er stond ontbijt, lunchpakketjes waren er zelfs. Je wenste ons goedereis met een briefje. Het eindigde met: “Love you Muriël, Heather.” Ik heb dat briefje nog. Ik had het in m’n hand toen ik uitkeek over Dingle Bay, we op de bus wachtten.

En nu: Ik wandel regelmatig met je door de Schotse hooglanden. Ik zie je zachte rode haar dwarrelen in de wind. We kijken ’s avonds naar de sterretjes en als we koud worden ritsen we onze slaapzakken aaneen, in ons tentje. We praten zacht en geven onze lijven aan elkaar, omdat het de loop der dingen is, en dan… hoop ik soms dat je alles loslaat. Ierland, je man, een dreigende kinderschaar: ze mogen er niet zijn. Vergeefs, ik weet het. ’t Was onmogelijk vanaf het begin. Denk je nog wel eens aan me?

Heather, ik zou je adres kunnen achterhalen. Als ik dit nu eens vertaal, het je stuur als brief. Waarom heb ik dat nooit eerder gedaan… Vanavond heb ik een fles whisky voor mezelf, ik moet dus oppassen! Brief sturen… nu nog? Nee, onzin. Ik had gewoon naar je toe moeten gaan. Kan dát nog? Ook onzin? Morgen kan ik op weg zijn. Hoe zou dat gaan… Je mán kan open doen, of misschien wel een roodharig kontkrummeltje. En als je zelf open doet, je man misschien weg is, verder niemand thuis… Hoe zouden we op elkaar reageren? Dwaasheid! De kans is bijna nul dat…

Maar die hele kleine kans dan; je adem stokt in ongeloof en verrukking. Je neemt me in je armen, slikt een paar tranen weg. Dan trek je me mee naar die auto. Je stroopt je mouwen weer ‘zo’ op als je start. Hotsend rijd je me over een knisperend berijpt karrespoor. Je jasje trekt omhoog, onthult je navel. Ik zie de bovenste knopen van je spijkerbroek los. Een stukje blanke onderbuik vormt een lonkend paadje naar beneden. Ik krijg het warm, gooi m’n jas achterin, open de bovenste knopen van m’n blouse. Dan ligt je hand op mijn dij. Je groene ogen fonkelen, je lacht als je recht voor je uit kijkt, de auto dan neerzet in de beschutting van een sparrenbosje. Je blik doorboort me, je hijgt als je de handrem aantrekt. Terwijl de schapen zich mekkerend om je pick-upje verzamelen dring je je tegen me aan, kust me, hapt in me. In waanzinnige vervoering rukken we elkaar de kleren van het lijf. Ierland… Schotland… wat doet het er nog toe. Dwars over de bank komen we te liggen, elkaars hoofden tussen elkaars benen, kreunend, wringend, knedend, vingerend, happend, likkend. Jankend en gierend van genot halen we vier jaar in. En dan… Tijd om bij te komen gun je me niet. Triomfantelijk open je het dashboardklepje en… Nee, dát kan niet. Dat had je man allang ontdekt. Of…

Jézus, het kan me ook niet schelen. Als ik nog één whisky neem… ga ik m’n rugzak pakken.

© Muriël

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie