Het verdrongen geheim van Saterland

Mijn moeder is Fries, ik heb de gave van die taal niet meegekregen. Met m’n zussen bescheurde ik me, als kind zijnde, soms als ze in telefonisch gesprek was met een broer. Dan vielen er woorden als ‘justerjoen’, die wij gierend verbasterden tot zuster-zoen.

Het is al weer jaren her dat ik problemen kreeg met mijn eend in Noord-Duitsland, op weg naar een festival in Denemarken. Me moeizaam behelpend in ’t Duits viel me de onderlinge conversatie op, dat was helemáál geen Duits. Nee, ik bleek in Saterland te zijn, een min of meer geïsoleerd gebied waar Oost-Friese oorsprongen nog volop merkbaar waren en zijn. Grinnikend ving ik weer eens ‘justerjoen’ op, dat – natuurlijk – gewoon ‘gisteravond’ betekent. De reparatie van mijn brikje zou wel een dag duren, ik vond onderdak in dat dorpje Dorum bij ene Sütske. Ze was een jaar of vijftig, alleen staand, en sprak geen Oost-Fries maar een mengeling van Duits en Noordduits, waar ik na wat Schnapps wel mee uit de voeten kon. Sütske kon hem ráken, ik deed voorzichtigjes mee. Ze had het Fries afgezworen, zei ze, door een doem die haar familie ooit getroffen had. Ik moest mee terug naar ongeveer 1500. Bijgeloof vierde toen hoogtij en… de beleving in de hoofden der mensen trok het geesteskind aan: de Sater. Jaja, hij kwám, gaarne in ’t leven geroepen door stille wensen. Hij was vreselijk sterk. Zij rode, gespierde ledematen wilden alleen maar maagden omstrengelen en zijn pik… dat was een gloeiende dolk van wel een halve meter lang, zonder eikel, als die van een beest. Heftige angst en heftig verlangen overheersten de streek. Mannen herkenden hun vrouwen niet meer, zéker niet als ze… Er werden heksen geboren, en vreemde tovenaars. Het gewas verdorde op het veld, het gebied werd omgedoopt tot Saterland.

Meer dan honderd jaar duurden de wilde ontuchtigheden voort, tot enkele mannen – altijd weer die mannen – het genoeg vonden. Het was in 1634 dat een hevige storm zich aankondigde. (Ik zag ‘dat’ laatst op schooltelevisie en het was mede de aanleiding tot het op schrift stellen van deze herinnering). Volgens de overlevering kostte deze ‘onverwachte’ storm duizenden levens. Volgens de feiten van Sütske lag dat anders: Men wíst het, wat komen zou… Om die reden werden de mooiste en geilste maagden naar een eiland voor de kust gestuurd, in afwachting van hém… En hij kwám, aangetrokken door het bijeengebrachte lustvlees, kwijlend en geilend. Die Sater… Hij moet de dag van zijn leven hebben gehad; de omstrengeling, zijn hete pik, moeten al dat maagdelijk schoons omvat en bevrucht hebben. Zijn pompende hitsigheid moeten die lieve meisjes hebben doen schreeuwen en janken in – eigenlijk – pure dankbaarheid. Maar… Zowel voor die (ex-)maagden als voor Sater was het de láátste dag. Het eiland ‘Strand’ werd overrompeld door storm en vloed, gespleten tot twee vormloze hompen klei; Sater en maagden werden verzwolgen. Eerder geëvacueerde bewoners hebben daarna lang en hard gezwoegd om de overblijfselen aan de zee te ontworstelen: Nordstrand en Pellworm. Ja, zó is het gegaan.

En Saterland… De boer, hij ploegde voort alsof er niets gebeurd was. Heksen en tovenaars verdwenen in de tijd. Een lach klinkt op als je de geschiedenis memoreert. “Nee, Saterland, dat is een fabel natuurlijk. Toch vinden we het wel leuk hoor, dat het hier nog zo genoemd wordt.”

Sütske nam nog een stevige slok. Ze zakte achterover in haar stoel, de blik omhoog. Ik wist waar ze aan dacht: de Sater.

© Muriël

 

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie