Kleuren

Haast had hij niet, vandaag was zaterdag, echt een dag om te luieren en precies te doen waar je zin in hebt. Hij besloot om verf te kopen, verf voor de oude stoel die hij al maanden lang van plan was van een nieuwe kleur te voorzien. De stoel was oorspronkelijk groen geweest. Een soort helder donker groen. Bijna transparant, donker smaragd nu hij er over nadacht. Niet een kleur die je dagelijks tegen kwam, tenminste niet meer. Vroeger toen de stoel nieuw was geweest en bij zijn moeder thuis stond was de kleur in de mode maar dat was al meer dan tien jaar geleden. Zoals de tijd verstrijkt, verstrijkt ook de mode en alle kleuren die de mode maken tot wat ze is.

De nieuwe kleur moest aan die stoel iets bijzonders geven. De vraag was welke kleur hij de stoel zou geven. Echt nagedacht daarover had hij nog niet. Hij drentelde heen en weer voor de schappen met verschillende soorten verf in diverse kleuren. Er stond verf voor buiten en verf voor binnen en er stond grondverf, lakverf, latexverf voor muren. Bedachtzaam nam hij een klein potje helder blauwe verf in de hand. Het deksel had de kleur van de hemel op een stralende zomerdag. De rest van het blikje was zilverkleurig met de naam van de winkel en nog wat wetenswaardigheden over het gebruik van de verf. Hij draaide het blikje om en om en bedacht hoe de stoel er uit zou zien als hij hem met deze verf zou schilderen.

“Moeilijk hé,” hoorde hij naast zich.
Een kleine vrouw stond naast hem en keek hem door haar goudgerande bril uitdagend aan.
“De keuze bedoeld u?” reageerde hij terwijl hij haar op nam.
“Ja, ik bedoel om de juiste kleur te vinden is moei­lijk vind u ook niet?”
“Ik aarzel tussen steenrood of hemelsblauw.”
“Blauw is koel.” zei ze met een schijnbaar afkeurende ondertoon in haar stem.
Zoals gewoonlijk ging hij er op in. Hij plaatste het blikje verf terug in het schap. Het stoorde hem wel eens dat hij alle opmer­kingen die mensen maakten serieus nam. Soms dacht hij wel eens dat als hij dat niet zou doen, zijn leven een stuk gemakkelijker zou zijn. Maar elke keer viel hij opnieuw in dat gat, zoals hij het zelf noemde. Een vroegere kennis van hem had wel eens gezegd dat het hem sierde dat hij mensen altijd serieus nam.
“Het betekent dat je een integer mens bent.” had ze gezegd.
En dat streelde zijn ego omdat hij die opmer­king natuurlijk ook serieus nam. Kennelijk was het een vicieuze cirkel waaraan hij niet leek te kunnen ontsnappen.

“Rood is een warme kleur maar waarom neemt u geen groen?” zei ze en keek hem doordringend aan.
Ze was een stuk kleiner dan hij en erg tenger. Haar gezicht was nogal opgemaakt stelde hij vast. Plotseling kreeg hij er behoefte aan om tegen haar opmerkingen in te gaan.
“En vertelt u eens waarom zou groen beter zijn?”
Ze was even stil, nu heb ik haar dacht hij, zie je wel dat ik best kritisch kan zijn en niet alles wat ande­ren zeggen voor zoete koek hoef te slikken.
“Nou,” zei ze iets minder zeker, “Het hoéft natuurlijk niet groen te zijn, geel bijvoorbeeld is ook een pret­tige kleur, vrolijk, zonnig en zo.”

Hij probeerde zich de stoel voor te stellen in een gele kleur. Het leek eigenlijk best wel te passen in zijn keuken.
“Wat voor geel zou u denken?” vroeg hij onbevangen.
Ze ging er eens voor staan maar deed eerst een stapje op zij om een andere klant de gelegenheid te geven een blik postrode verf uit het schap te halen. Het viel hem op dat die klant zonder aarzelen naar de kleur greep en er mee naar de kassa liep.
“Ik zou denken een donkere tint, een beetje okerachtig dat geeft kracht en komt niet onbenullig over.”
Nu verdween zijn laatste restje zekerheid. Kenne­lijk was ze een autoriteit op het gebied van kleu­ren. Opgelucht, dat was hij, de beslissing werd voor hem geno­men, geel is inderdaad veel beter.
“Dat oker­kleurige geel daaraan had ik nooit gedacht” zei hij.
Ze pakte een blik verf uit het schap en moest daarbij voor hem langs. Hij snoof een vage geur van parfum en haren op. Het leek hem een okerkleurige geur.
“Je moet altijd proberen om van de gebaande wegen af te dwalen als je tenminste iets wil ontdekken dat origineel is”.
“Ja daarin heeft u gelijk” zei hij terwijl hij dacht: wil ik eigenlijk wel origineel zijn?
In een laatste opflakkering van zijn ego probeerde hij: “Ik wilde eigenlijk iets in een kleur die ik wel eens ergens gezien heb.”
“Oh ja, waar dan, wat had u dan gezien?”
“Tja, dat weet ik niet meer zo precies, het is al zo lang geleden ziet u.”
Waarom wil ik het toch altijd beter weten dan andere mensen flitste hem door het hoofd. Als een ander het nou beter weet leg je dan daar bij neer. Hij was er aan gewend dat zijn andere ik in stilte tegen hem sprak en hij luisterde naar die stem omdat hij de enige was die de innerlijke stem kon horen.
“Het spijt me u heeft gelijk, okerkleurig is een uitstekende kleur, zal ik deze dan maar nemen?”
“Dit is geen oker”, zei ze beslist terwijl ze hem het deksel liet zien van een blikje waarop stond kanarie­geel.
“Ja, nu zie ik het, het is kanariegeel, wat dom van me.”
Hij lachte gedwongen om zijn eigen domheid, wat aardig eigenlijk dat deze vrouw zo veel geduld voor hem kon op brengen. Hij plaatste het blikje dat ze hem in handen gegeven had weer terug in het schap. Zijn hand zweefde vertwijfeld voor de rekken met verfblik­jes en om te laten zien dat hij zelf ook best kon beslissen greep hij in een impuls naar het blikje dat op dat moment voor zijn handen stond. Hij hield het omhoog zonder te kijken naar wat er op het etiket stond of ook maar een blik te werpen op de boven­kant waar de inhoud in kleur op stond aangegeven.

“Dat is wit, en het is grondverf,” zei ze.
Hij gaf het op, voelde een vlaag van paniek de kop op steken en zocht een verklaring voor zijn tweede stommiteit.
“Het lijkt me dat ik de stoel eerst in de grond­verf moet schilde­ren is het niet?”
“Ja, als u het goed wil doen moét dat, maar ik dacht dat u dat al wel gedaan zou hebben, waarom zou u anders naar lakverf zoeken.”
Tegen zoveel logica was hij niet opgewassen, hij hield z'n mond. Eigenlijk wilde hij dat ze weg zou gaan zodat hij ongestoord de winkel uit kon lopen om nog eens goed na te denken over zijn idiote plan om die stoel te schil­deren.

“Nou, ik ga maar weer eens verder, ik moet ook nog boodschappen doen. Veel succes met uw stoel.”
Er viel een pak van z'n hart. Eindelijk vrij om te gaan. Vertwij­feld keek hij nog een laatste keer naar het schap vol lokkende kleuren.
Een stoel schilderen, hoe haal ik 't in mijn hoofd, dacht hij. Waarom ben ik toch niet als anderen? Niemand doet toch zoiets krank­zinnigs. Even moest hij inwendig lachen om zijn eigen rare plannen.

Hij had geen zin meer om verdere boodschappen te doen en zocht zijn fiets op om naar huis te gaan. Langzaam fietste hij het centrum uit op weg naar huis. Bij de spoorwegovergang moest hij wachten voor de gesloten bomen. Een trein kwam voorbij maar de bomen bleven dicht; er zou nog een trein komen. Aan de overkant stond een oude Jaguar achter de spoorbomen. Klaar om op te springen en een sprint te trekken, fantaseerde hij. Wegdromend stelde hij zich voor hoe het zou zijn om in zo'n auto te zitten. Lekker warm, heel stil en be­schermd tegen vreemde mensen.

“En, geslaagd?” klonk het naast hem.
Een onheilspel­lend gevoel van paniek borrelde diep in zijn binnen­ste. Voorzichtig keek hij opzij. Daar stond ze, ze had haar beide voeten op de grond en zat half op 't zadel van een indrukwekkende mountainbike. Dikke banden met een zwaar profiel, twee versnellingshan­dels, en een tripcomputer.

Hij keek wanhopig rond, weg gaan kon niet, net doen of ze er niet was evenmin.
“Nee, ik wacht maar even.” antwoordde hij.
Ze keek hem van op zij aan.
“Ik zei toch dat het moeilijk is.”
Hij bleef stil. Hoe kom ik daar van af dacht hij. De tweede trein kwam langzaam en dreunend voorbij. Hij rolde uit tot langs het perron van het station. De brommers startten hun motoren, auto's sloegen aan en de bomen gingen omhoog. De Jaguar sprong als een kat in de aanval over de sporen. Hij stapte gelijk met haar op. Langzaam fietsend reden ze allebei alleen en toch samen over de rails. Ze reed bewust langzaam, duwde af en toe een trapper naar beneden en hield dan weer haar benen stil om hem niet kwijt te raken in de drukte. Hij fietste zo langzaam dat zijn stuur er van slingerde.

“Rij eens wat door, dan gaan we naar mijn huis, ik zal je laten zien wat je met kleuren kunt doen.”
Hij schrok van haar plotselinge joviale toon. Het maakte de beleefdheidsbarrière tussen hen erg laag en dwong hem min of meer om mee te doen als of ze be­vriend waren. Hij werd bang, diep in zich voelde hij opnieuw die kleine belletjes van angst opborrelen. Toch trapte hij een beetje harder. Ze hield even in en kwam met een snelle sprint aan de andere kant van hem rijden.
“Rechtsaf hier.”
Omdat ze links van hem reed en een halve meter vóór hem dwong ze hem naar rechts. Hij belandde bijna in de goot maar wist zijn stuur te hou­den.

Wat wilde ze eigenlijk met deze timide man, ze wist het zelf ook niet maar kon hem niet los laten. Ze keek weer naar hem, naar z'n gezicht en naar z'n verlegen figuur. In bed wil ik met hem.

Ze schrok even van de gedach­te die haar door 't hoofd flitste. Werkelijk? dacht ze in een soort discussie met zich zelf. Ze keek naar zijn verontrustte gezicht naar zijn fijn gebouwde handen.
Ik moét hem hebben.
Plotseling wist ze het zeker. Ze wilde hem knuffelen, strelen, beschermen, en vooral ze wilde hem in zich voelen. Ze wilde de heftige ontla­ding van deze wandelende tijdbom diep in zich voelen explode­ren. Haar dijen tintelden en haar hart klopte sneller, ze wilde wel racen naar huis, hem uitkleden in bad stoppen kussen, voeden, drogen, en troosten. Maar bovenal wilde ze hem zien kronkelen van opwinding en genot terwijl ze haar handen haar mond, haar hele lichaam gebruikte om hem te bevredigen. Eindelijk had ze een man gevonden die ze graag wilde pijpen, een ander dan al die veeleisende hufters die haar dwongen om hun ongewassen pikken af te zuigen. Ze wilde de baas over hem zijn en hem laten genieten. Ze wilde, nee ze moést,…

“Rij nou toch door!”
Hij schrok zich ongelukkig. Waarom zei ze dat, wat bedoelde ze, waarom moest hij doorrijden? Hij begreep er absoluut niets meer van. Maar hij had wel geleerd dat hij beter kon doen wat de mensen hem zeiden. Zelf was ze ook een beetje geschrokken van die plotse­linge uitval naar hem. Ze begreep wel dat ze zich beter moest be­heersen anders zou hij er wel eens vandoor kunnen gaan.
“Ik bedoel”, zei ze, “als we een beetje doorrijden dan zijn we bij mij voor dat het gaat regenen”.

Oh, was dat 't, dacht hij maar hij trapte toch door. Ze kon hem zó gemakkelijk bijhouden dat ze staande op de trappers alleen om de paar seconden een stevige draai aan de trappers hoefde te geven. Hij peddelde door en wachtte gelaten af wat zijn kwelgeest nu weer zou zeggen.

Ze draaiden zij aan zij een bocht naar rechts en toen ze weer op een recht stuk reden keek ze hem weer aan van op zij.
“Ik heet Dorien, Dorien van Elst.”
Hij keek op zij maar antwoordde niet.
“Hoe heet jij? Of moet ik U zeggen?” zei ze een beetje spottend.
Stel je voor dacht hij dat zij zou denken dat hij zich zo hoog boven haar verheven voelde dat hij zou willen dat ze U zei, het idee.
“Nee, nee” zei hij snel. “U mag wel Anton zeggen”.
“Dat is grappig, zo heet mijn grootvader ook.”

Nu hadden ze toch iets dat hen tezamen bracht dacht hij. Zo zie je maar, het leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Hij vond het wel een aardig idee en probeerde het als conversatieonderwerp.
“Wat een toeval hé, zei hij aarzelend.
Haar hart sprong op, eindelijk een reactie van hem.
“Ja toevallig hé.”
“Het leven hangt…” begon hij en toen bleven hem de woorden in de keel steken.
Ze keek hem zo doordringend en vragend aan dat hij plotseling niet verder durfde gaan met de voorgenomen opmer­king.

“Ja, wat hangt?” vroeg ze in de hoop meer uit hem te krijgen. Maar dat lukte niet.
“Nee, laat maar het is niet belangrijk.”
Ze trapte een poosje door en liet daarna haar fiets weer uitlo­pen.
“Heb je een groot huis?” vroeg ze om toch maar iets te bepraten met hem.
“Niet zo groot, 't is een flatje.”
“Ik woon ook op een flat. Het is wel gemakkelijk met schoonhou­den en zo.” zei ze. “Maar eigenlijk wil ik wel een huisje apart hebben ergens op 't land”.
“Dat lijkt me ook wel wat.” zei hij plotseling omdat ze nu precies iets had vermeld waarnaar hij al erg lang verlangde.
Ergens buiten wonen zonder benedenbu­ren en zonder een gedeelde berging voor fietsen samen met de buren. Plotseling was hij niet meer zo bang voor haar. Wat hij wilde was kennelijk niet zo vreemd dacht hij.
“Waar wilt u dan wonen?” vroeg hij en kreeg ondanks de frisse wind een kleur op z'n gezicht van verlegen­heid omdat hij zo'n impertinente vraag had durven stellen.
“Oh, niet zo ver van de stad, maar het zal wel nooit er van komen want te huur is zo iets nooit, dan zou ik iets moeten kopen.”

Ze stuurde haar fiets de stoep op en hij stapte af en voerde de fiets aan de hand mee achter haar aan. Ze zette haar fiets op slot en hij deed hetzelfde. Achter haar aan liep hij het portiek in en de grauwe betonnen trap op. Het viel hem op dat er geen lift was zoals in de flat waar hij zelf woonde.

Op de tweede verdieping haalde ze een sleutel te voorschijn en opende de deur. Ze gingen naar binnen en het viel hem op dat ze meteen de deur op slot draaide nadat ze die achter zich had dicht getrokken.
“Nou kom binnen en doe je jas uit.”
Zelf trok ze haar sportieve driekwart jas uit en hing hem aan de kap­stok. Ze zette haar muts af en schudde haar haren los.

Hij maakte zijn jas los en trok hem langzaam uit. Er was nog voldoende ruimte aan de kapstok maar toch aarzelde hij om zijn jas op te hangen.
“Zal ik hem aannemen?” en meteen zweefde zijn jas naar de kap­stok. “Zo, kom verder, nu je er toch bent zullen we iets warms maken, koffie of liever thee?”
Zoveel vragen hij raakte de tel kwijt en gaf dus maar geen antwoord. Ze was trouwens al verdwenen in de keuken en hij keek eens rond. Het huis, of eigenlijk appartement was net zo groot als zijn eigen woning.

“Zo, daar ben ik weer, kom ga op de bank zitten.”
Ze trok hem naar de bank en hij liet zich neer. Hij bleef stijf rechtop zitten midden op de bank die ruim genoeg was voor drie mensen om op te zitten.

Ze ging voor hem staan en maakte haar broek los aan de zijkant. Ze liet hem zakken en stapte er uit. Toen duwde ze haar slipje naar beneden en haalde eerst een en toen het andere been er uit. Ze zwaaide het slipje even voor zijn gezicht langs. Een vage zwoele geur streelde zijn neus. Ze duwde haar buik naar voren en wreef met een hand stevig over haar schaamhaar. Hij hoorde het knisperen.
“Héé”, zuchtte ze en pakte zijn hoofd.
Ze duwde op­nieuw haar buik naar voren drukte zijn gezicht tussen haar dijen terwijl ze zijn hoofd heen en weer wreef.

Hij bleef passief zitten en dat wond haar nog meer op. Ze liet zich op haar knieën zakken en maakte eerst haar bh los en trok toen bh en truitje tegelijk uit. Haar borsten zwiepten te voor­schijn en de rode tepels zwaai­den even heen en weer voor zijn gezicht. Toen drukte ze hem in de kussens van de bank en kroop over hem heen. Haar mond was over zijn gezicht, overal tegelijk naar het leek en haar handen vér beneden zijn gezicht waren in een vaardig samenspel bezig zijn kleding los te maken.

Vanuit de keuken klonk een snel in toonhoogte en volume toenemend fluiten dat dringend aanhield. Ze liet hem los en liep naar de keuken.
“Koffie of thee?” riep ze.
“Koffie” zei hij zacht en keek naar zijn eigen stijve reactie op haar spel.
Hij geneerde zich en deed zijn broek weer dicht. Toen wachtte hij gelaten tot ze terug zou komen. Even later liep ze poedelnaakt door de kamer met twee kopjes in haar hand en zette ze op de lage tafel vlak voor hem. Haar borsten zwaaiden door haar heftige bewegingen.

Even een aai over zijn hoofd en toen liep ze weer terug naar de keuken. Het waren twee verschillende kopjes, dacht hij. Welke zou ze zelf nemen?
Toen ze terug kwam bracht ze suiker en de koffie mee en zette ook dat op de tafel. Toen liep ze om de tafel heen en plofte naast hem op de bank. Ze kuste hem onstuimig en liet haar hand in zijn broek glijden. Ze drukte zich zo krachtig tegen hem aan dat zij samen omvielen. Haar mond was gedurig op de zijne en haar handen hadden zijn broek weg geduwd, in de richting van zijn knieën. Haar mond was als een stofzui­ger­tje overal bezig hem op te zuigen en intussen vond haar hand dat deel van hem waardoor hij bloosde. Ze zag het niet, daar was hij blij om maar aan z'n gevoel veran­derde het niet veel. Nadat ze hem al strelend had doen zwellen tot voor haar bevredi­gende proporties nam haar mond het van haar handen over. Een weldadig gevoel overviel hem en toen zijn schroom zijn geest verliet zweef­den zijn handen bedeesd naar haar schouders.

Bij de eerste nauwelijks voelbare aanraking van zijn vingers op haar huid hield ze zich muis­stil, geschokt, verrast was ze door zijn plotselinge reac­tie. Toen ze stil lag hielden zijn handen zich ook stil. Langzaam ging ze verder met pijpen en onmiddel­lijk kwamen zijn handen weer in actie en streelde op een wonderlijk lieve en tedere manier haar rug. Het bracht een gevoel teweeg bij haar dat ze nog niet eerder had gekend. Het leek of zijn handen haar li­chaam met elke streling lichter en doorzichtiger maakten. Haar eigen bewegin­gen werden trager en trager en uiteindelijk lag ze stil en liet zich stre­len. Zijn handen reisden verder over haar lichaam en hij richtte zich op. Hij streelde haar dijen en haar kuiten. Hij nam haar tenen in zijn handen en plotse­ling voelde ze zijn mond op haar dijbeen. Ze liet hem begaan en hield zich muisstil. Zijn mond was stevig en teder en gleed onmerkbaar over haar benen, over haar billen en langs haar rug omhoog tot op haar schouders. Loom wentelde zij zich op haar rug hopend, wensend dat hij net zo teder over haar buik zou gaan tot daar waar ze hem hevig verlangde. Lang keek hij naar haar borsten, heel zacht raakte hij de roze tepels aan. Nauwelijks voel­baar en toch onmid­dellijk verstijfden haar tepels. Hij merkte het en raakte ze op nieuw met zijn gevoelige vingertoppen. Ze verbaasde zich er over dat ze zo goed had aange­voeld dat deze man haar zou beminnen zoals ze nog niet eerder bemind werd. Haar borsten hunkerden naar koes­terende lippen en ze kon het niet laten om met een hand haar borst in zijn richting te duwen. “Kus me” vroeg ze zacht. Hij boog zich en sloot zijn lippen rond haar tepel, ze genoot van de spanning die haar opgerichte tepel veroorzaakte in haar borst.

Toen draaide ze zich om en omarmde hem. Ze trok zijn gezicht naar zich toen en kuste hem. Het was meer dan een kus, ze smolten samen en samen met hem voelde ze haar lichaam langzaam los komen van de bank waarop ze lagen. Langzaam spreidde ze haar benen en legde ze over zijn rug. Als in een slow motion opname voelde ze hoe hij eerst aarzelend dan steeds doortastender in haar binnen drong tot ze het gevoel had compleet te zijn. Langzaam dreven ze weg, als wolken aan de helderblauwe zomerhe­mel. Sterven wilde ze nu!, nooit meer wakker worden, alles vergeten, alleen deze inten­se geluksbe­leving aanhouden.

De timide man was veranderd in een begenadigd mimespeler, zijn lichaam vertelde alles, zijn handen beschreven zijn angsten, zijn lippen droomden zijn wensen op haar huid en diep in haar lichaam kwam de waarheid aan 't licht. De zin van het bestaan, de enige opdracht van de natuur werd sidde­rend ten uit­voer gebracht. Huiverend daalde ze af, hield zich angstig aan hem vast, zoekend naar warmte en geborgen­heid en nestelde zich in de troostende omarming van zijn slanke gevoelige armen.

Hij voelde zich bevrijd, ontdaan van twijfel, van schaamte, ontdaan van angst om wat de mensen zouden……. Door haar directe benadering had ze alle twijfel bij hem weggeno­men, hij deed dat wat zij wilde en hij deed het goed, dat voelde hij aan haar reacties. Hij vond het fijn om iets goed te doen, zo goed dat ze tevreden knorde en hem streelde. Hij was gelukkig omdat hij het haar naar de zin kon maken.

©

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  1 comment for “Kleuren

  1. 26 december 2006 at 23:21

    Het wisselende perspectief werkt enigszins verwarrend. Verder een prima menselijk verhaal met goede persoonsbeschrijvingen.

Geef een reactie