Oneindig

Mijn hoofd rust op haar dijbeen. Ze leest en beweegt af en toe een voet, of haar hand. Als ze een bladzijde omslaat schudt haar lichaam nauwelijks merkbaar. Het zonlicht beschijnt ons door een filter van bladeren van de clematis buiten het raam. Die vage zonvlekjes bewegen op haar huid als kabbelende golfjes op het water. Zonder doel, zonder betekenis maar voortdurend fascinerend. Dat ene vlekje lijkt de onstuimig krullende haren te willen vangen.
Af en toe beweegt het vlekje en beschijnt dan de bijna verborgen kloof die gevormd wordt door de naar buiten weg vloeiende lijnen van haar schaamlippen.

Wat een onaangenaam woord eigenlijk denk ik. “Schaamlippen”. Ik denk aan dat chanson van George Brassens waarin hij zich verbaasd over de platte benaming die men heeft gegeven aan het intiemste, het zachtste het meest opwindende en altijd vertederende deel van het vrouwenlichaam. Hij beklaagt zich er over dat slechts drie letters voldoende zijn om die schoonheid een naam te geven. “Trois lettre, pas plus!” zingt hij verontwaardigd. “Clematis” zou een goede benaming zijn voor dat bijzondere kleinood maar die naam is al in gebruik dus laat ik het er maar bij. Ik voel met hem mee.

Als mijn vinger zacht die vormen aftast tilt ze traag haar been op en legt het opzij. Ik bekijk het landschapje dat zich schuil houdt onder die stugge veerkrachtige bossage. Het is zo mysterieus, noodt voortdurend tot onderzoek, telkens verder, telkens dieper. Het trekt, het boeit, het laat niet af mijn aandacht op te eisen. Het lokt zonder te spreken of te zingen net als de Lorelei. Het blijft lokken, als een magneet blijft het trekken en zo opgeborgen prikkelt het mijn verbeelding, open en door de zon beschenen lijkt het te wenken.

“Kóm, kom maar”. Verdwaasd kom ik nader, steeds maar nader en nooit het mysterie ontrafelend. Als een waanbeeld verwijdert het zich bij elke nadering. Maar nooit geef ik het op, altijd laat ik me lokken. “Kom maar, kom dan, kom, kom, kóm.”

Ze legt haar boek neer en wrijft met haar hand over het landschap, bergt het op en wentelt zich traag op haar zijde.
“Wat doe je toch? Ik dacht dat je sliep.”
Verdwaasd word ik opgeschrikt. Dát wat ik een mysterie vind is voor haar heel gewoon; ze wrijft het, gebruikt 't en bergt 't op zonder er bij na te denken.
“Vind je het dan niet wonderlijk dat…” begin ik en dan geef ik het op. Hoe moet ik haar uitleggen wat ik zelf niet begrijp.

“Vergeet het maar” Ik kom met een plof op haar liggen.
“Niet zo hard jóh”. Ze grinnikt en klemt haar knieën tegen mijn heupen. Onbewust van het mysterie tussen haar benen gebruikt ze me, ze stuurt en duwt, drukt en trekt, klemt haar knieën en wurmt net zo lang tot alles past en goed opgeborgen zit.

Het mysterie blijft, acht duim is niet genoeg om het te doorgronden. Hoe krachtig ik me ook tegen haar aan druk altijd blijft dat lokkende mysterie me plagend uitnodigen verder te komen. Maar verder schuift steeds verder op. Telkens verder, oneindig veel verder.
Is dat het mysterie? Is het de oneindigheid? Beschikt ze over het geheim van de oneindigheid.
“Heaven is a state of mind.”
Oneindigheid soms ook?

© Miel de Sarrassin

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  5 comments for “Oneindig

  1. 10 april 2007 at 13:07

    Beeldschoon miniatuurtje, beheerst, verzorgd, intens. Maar net te kort op echt opwindend te worden naar mijn smaak. Tweeënhalve ster.

  2. WB
    12 april 2007 at 22:32

    Acht duim poëzie, da's niet mis!

  3. 13 april 2007 at 20:31

    Miel de Sarrassin blijft me bekoren

  4. 18 april 2007 at 00:48

    Prachtig Miel!

  5. 19 april 2007 at 14:56

    Wat in een paar alinea's niet allemaal gezegd kan worden, een ware kunstenaar!

Geef een reactie