Ontboezemend

De boezem is de boezem der ontboezemingen;
En wel, dit is onschuldig, uit het hart.
Als wij daar liggen,
Haast ieder wendt het hoofd:
“Dit is voor júllie!
Dit gaat mij niet aan.
Ik weet wel,
De beschouwer… maar als je dwingt te kijken,
Dan zie ik beiden rusteloos begaan
Tegen elkaar, en zo vertruwd, gewoon
Dat is toch mooi? Wat moet ik nu nog zeggen?”

Ja, het is mooi, zo mooi als ‘k nooit had kunnen denken,
Maar God, laat toch de kosmos spreken nu,
Laat ons bemoederd zijn
In milde aandacht van geschapen mens,
Op heuveltop
Onder steeds al die sterren;
Dát… willen wij zo graag:
In ’t weten van die ander, in onzekerheid,
Dat onze tepels zachtjes raspen aan de ander,
Zonder een kind, zonder begerig mannenhand,
Ontboezemend, maar dicht tegen elkaar.

Muriël

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie