Voor Een Kasteelvrouwe

O heerlijk ongeremd

Sekreet, vergeef dat ik dit zeg.

Je hielp me onderwijl wel op mijn weg,

Langs straten, pleinen; ogen ze verlaten?

Nee, loop maar door, laat ons niet verder praten,

Er is, denk ik, zoiets als voorbestemd.

 

Jouw wortels in het Noord

En ’t Oosten van het land, is ’t niet?

Of toef je daar met oog op je verschiet?

Hoe kon je me daar zo gevoelig raken,

Hoe wist je me zo broeierig te maken…

Mijn geilheid, ’t was de desem in jouw woord.

 

Wij wild op haar…

Zij leidde toch bliksem af,

Die wederzijds elkaar te denken gaf.

Nou ja, ‘te denken’, veel dachten we zelden

Als we elkander op het vloerkleed velden.

Zij was ons alibi, is dat niet waar?

 

O heerlijk ongeremd

Sekreet, dat blijf je van me hoor;

Je zwenkt, je plaagt, ik volg jouw spoor

Langs straten, pleinen; ogen ze verlaten?

Oooh, breng mij weer in alle staten,

Doortrapte handen, glijdend in mijn hemd.

 

Muriël

Post navigation

Gerelateerde verhalen

Geef een reactie