Zonsopgang aan de Egeïsche zee.

 

Zittend op het strand. Vroeg in de ochtend, de nacht is nog niet vertrokken maar aan de horizon wordt de lucht bleker. Dit is waar ik naar verlangd heb, het aanschouwen van het eerste zonlicht. Links van mij bewegen lage golven traag het strand op. Elke golf nadert alsof hij iets af te leveren heeft. Zuchtend verworden de golven tot een laagje schuim dat kort op het zand blijft liggen voordat een volgende golf een nieuwe schuimlaag het strand op duwt.

Het water hier rond de Griekse eilanden is ongewoon helder. Een groot slakkenhuis en een bosje losgeslagen zeewier rollen met de golven mee. Telkens komen ze een beetje verder het strand op. Gefascineerd kijk ik naar die rollende bewegingen. Het slakkenhuis rolt in mijn richting en dan weer een stukje terug de zee in. Alsof het maar moeilijk afscheid kan nemen. Zal het uiteindelijk het strand op komen? Het regelmatige gezucht van de golven op het strand maakt me dromerig. Als ik goed luister kan ik elke golf horen aankomen voordat hij, met een zucht, vlak bij me in het zand verdwijnt. Het ritme, het zachte zuchten, een bijna fluisterende geluid, werkt hypnotiserend. Mijn blik verstart, mijn hoofd raakt leeg.

De zon is nog niet te zien maar ergens aan de kim ontstaat een lichte vlek die zijn oorsprong niet boven, maar onder het wateroppervlak lijkt te hebben. Het licht lijkt door groen glas te schijnen. De vlek wordt helderder en groter. Een dun rood streepje wordt zichtbaar, Het streepje wordt dikker, het wordt een boogje. Het boogje kromt zich en groeit. In enkele seconden is het een stukje van een schijf geworden. Het licht dat mij beschijnt verandert van waterig geel in rood. Vlammend rood. Zo rood als alleen een zonsopgang kan zijn. De gloeiende schijf is nu zo groot dat het licht mij verblindt. Onmogelijk om mijn blik af te wenden. Fascinerend is het beeld van die zwellende rode schijf.

Dit is het wonder waar ik op gewacht heb. De loutering na een nacht van dansen, sirtaki en veel teveel ouzo. Ik ben naar het strand gegaan om de geest van de ouzo uit mijn lijf te laten waaien en de geest van de zon te ontvangen. Met opgetrokken knieën, zit ik op het strand en wacht op de warmte die zal komen. De rode schijf is bijna compleet, nog maar een klein stukje. Plotseling lijkt de schijf zich los te maken van de kim. Een bijzonder moment. De wereld baadt in rood licht. Het lijkt of een geluidloos concert van licht los barst. Totaal verblind staar ik in de rode schijf. Iets anders kan ik niet zien want de gloeiende schijf drijft ieder beeld de duisternis in. De zee blijft nieuwe golven aandragen. Hetzelfde ritme, hetzelfde zuchten. Na verloop van tijd raakt het schuim mijn voeten. De vloed is ingezet. Ik zal hier weg moeten maar ik wil niet weg. Ik wil één worden met alles dat mij omgeeft, de zon, de zee, het zand. Blijf zitten! Ga nog niet weg, het is nog niet over! Er moet meer zijn.

Ik wend mijn hoofd af en kijk in de richting vanwaar de golven komen. Voor mijn ogen zweven rode, stralende ballen. Het is prachtig, het is zo mooi dat ik het graag mijn leven lang zou willen zien. Ik zou er álles voor opgeven om voor altijd in deze droom te mogen blijven. Alleen met de zijkant van mijn ogen kan ik vormen zien. Het middelpunt van mijn gezichtsveld blijft verblind. Vaag zie ik de aanrollende golven. De zee zucht en borrelt, schuimt en draait, legt fluisterend wit schuim op het zand. Door het zuchten van de zee heen, denk ik een stem te horen. Onduidelijk, bijna onhoorbaar. Slechts af en toe hoor ik die stem. Onmogelijk om te zeggen wanneer ik de stem wel hoor en wanneer niet. Met gespitste oren en niets ziende ogen zit ik stil en luister. Ruisend schuim, zuchtend schuim, prikkelend schuim. Schuim dat afgebroken word en minuscule spatjes op mijn huid laat regenen.

Een zuchtje wind, niet koud, koel. Uit zee komt het. Met de wind komt opnieuw de stem. Het is een vrouwenstem. Helder maar vaag. Het zijn geen woorden maar klanken. Een vreemde taal. Ik luister, sluit mijn ogen maar de vurige ballen blijven hallucinerende beelden in mijn brein veroorzaken. Helderder en duidelijker hoor ik de stem. Een stem die tinkelt als het uiteenspatten van het schuim aan mijn voeten. Ik draai mijn hoofd in de richting van de aanrollende golven en zoek of ik tussen de rode vuurballen iets kan ontdekken. Iets dat het wonderlijke betoverende geluid zou kunnen verklaren.

Het geluid klinkt als zacht neuriën maar het wordt niet luider. Het blijft ongrijpbaar, wel aanwezig maar niet te lokaliseren. Het is er maar het is er ook niet. Komt het door de ouzo? De zon? De uitputting van een nacht dansen en drinken? Ik tuur over de branding en zoek met mijn verblindde ogen naar iets of iemand die dat geluid zou kunnen maken. De zon klimt, rood wordt oranje. Elke zucht van de zee is gevuld met het tinkelende geluid van die zangerige stem. Terwijl ik kijk en tuur verdwijnen heel langzaam de rode ballen die mij het zien zolang onmogelijk hebben gemaakt.

Ik heb het koud, ben verstijfd. Mijn hersenen werken nauwelijks, ik besef dat ik onderkoeld ben. Ik hallucineer, ik zie beelden die er niet kunnen zijn. Vreemde beelden. Beelden van een vrouw die door de golven naar het strand gedragen word. Onduidelijke beelden worden duidelijker met ieder golf die op het strand breekt. Eén golf lijkt hoger dan de anderen. Langzaam rolt de golf naar het strand, voorafgegaan door een handvol kleinere golven die zuchtend breken en het zilveren schuim voor mijn voeten dragen.

De grotere golf komt dichterbij. Het is een golf die iets lijkt te dragen. Het is langgerekt, beweeglijk. Iets blauws zie ik. Nee, ja, het ene moment zie ik dat lichte blauw en het volgende is het weer verdwenen. Dat blauwe is maar een deel, het geheel heeft een vorm, een lichaam. Een lichaam dat op die dragende golf naar het strand lijkt te rollen. Ik zie een arm die loom bewegingen maakt. Zwemmen? Of wuiven? Het beeld roept herinneringen op aan een schilderij. Het is een mens, een zwemmend mens. Bijna evenwijdig aan het strand zwemt de figuur terwijl de golven het lichaam dichter naar het strand dragen. Mijn zicht is intussen bijna helemaal terug. Nog wat vage vlekken verstoren mijn beeld maar ik kan weer zien. Onder mijn ogen komt de zwemmer of zwemster dichterbij. Vertwijfeld steek ik een hand op als groet, als vraag. En dan zie ik lange blonde haren, een lichte huid, een traag wuivende sluier, dat is het blauwe dat ik eerder opmerkte.

De aanrollende golven tillen de zwemster op en dragen haar met elke beweging dichter naar het strand. Dichter naar de plek waar ik zit te wachten. De laatste golf die haar opneemt is een beetje groter en krachtiger dan de voorgaande. In een zucht van uiteenspattend schuim rolt de zwemster tot vlak voor mijn voeten. Het lijkt of ze uit zee geboren werd. Ze blijft liggen, steunend op één arm kijkt ze mij aan. Het blauwe dat ik meende te zien is een lange zijden sluier die een deel van haar lichaam bedekt. Een jonge vrouw, blonde haren, blauwe ogen. Ze is zo naakt als toen ze geboren werd maar de sluier bedekt op onverklaarbare wijze die delen van haar die bedekt moeten blijven. Ze ligt op haar zij en kijkt lachend naar mij.

“Zwem je altijd hier in zee?” vraag ik om maar iets te zeggen te hebben. Ze lacht alleen maar. Ik denk dat ze me niet begrijpt. Haar ogen zijn tot spleetjes gesloten maar ik kan zien dat het lachende ogen zijn. Ook haar mond, een mooie mond met volle lippen lijkt te lachen.

Ze blijft liggen maar de fluisterende golven doen haar af en toe heen en weer rollen. Het lijkt of ze bij de zee hoort, of ze alleen maar een kijkje aan het strand komt nemen.

Ik durf geen woord meer uit te brengen, bang als ik ben, dat ze zal verdwijnen. Ik kijk en geniet, ze is mooi, ze is alleen maar mooi meer niet. Haar verschijning maakt geen gevoelens los. Ze is niet begerenswaardig, niet sexy. Ze is alleen maar mooi maar op een bijzondere manier. Haar schoonheid doet een gevoel van geluk ontstaan. En ze ligt daar maar, rolt heen en weer en lacht terwijl haar aanwezigheid mij gelukkig maakt.

Héél langzaam begin ik te begrijpen. Héél langzaam dringt het tot mij door. Ze is er zonder reden. Maar haar verschijning laat mij voelen wat geluk is. Met mijn ogen zoek ik haar ogen en ik probeer achter die half geloken ogen haar pupillen te zien. Transparante ogen, gekleurd, de kleur van zeegroen glas. Niet waterig maar fonkelend.

Schoonheid, Schoonheid, Schoonheid. Het woord laat zich herhalen in mijn hoofd tot de echo weg sterft in het zachte ruisen van de zee. En dan begrijp ik dit mysterieuze gebeuren. Dit is Griekenland! Zij moet Afrodite zijn. Ze lacht me nog steeds toe maar blijft op afstand.

Ik trek mijn benen onder mij en maak aanstalten om op te staan met de bedoeling dichterbij te komen. Als ze dat merkt, draait ze zich om en verdwijnt in de golven. Het laatste wat ik hoor is het ijle geluid van die wonderlijke muzikale stem. Stil sta ik over zee te kijken, besluiteloos twijfelend aan mijn verstand. Heb ik het gezien? Gehoord? Was het een hersenschim? Ik ril, teveel afgekoeld, verstijfd. En hongerig ben ik ook.

Dan hoor ik achter me een stem. Als ik me omdraai, staat daar de vrouw die mij gisteravond, of was het vanochtend vroeg, de Sirtaki leerde dansen. Met haar dronk ik ouzo. Zij vertelde over het leven op het kleine eiland en over haar zes kinderen. Aan haar dacht ik toen ik naar het strand wandelde.

“Helena!” Ze lacht en noemt mijn naam. Haar ogen glijden over mijn lichaam van mijn hoofd tot mijn voeten. Ze staat te lachen en als ze haar rok begint los te maken besef ik pas dat ik poedelnaakt voor haar sta.

“I am sorry..” Ik gebaar wanhopig om aan te geven dat mijn kleren verderop tegen de duinen liggen. Ze lacht en laat de rok zakken. Ze stapt er uit en laat de rok op het zand vallen. Dan duwt ze een klein zwart broekje van haar benen. Onder mijn verbaasde blikken tilt ze haar topje omhoog en doet ook dat uit. De net opgekomen zon beschijnt haar lijf met een vage oranje gloed. Ze heft haar armen, klikt met haar vingers en begint te dansen. Haar slanke armen waaieren met sierlijke bewegingen.

“Come, sirtaki, you know!”

En dan begrijp ik dat er geen reden tot schaamte is. Ik lach omdat zij lacht en volg haar voorbeeld. Langzaam beginnen we te dansen. Ik volg haar bewegingen en tracht me te herinneren wat ze me uren geleden leerde.

Ze is een mooie vrouw, dat ze zes kinderen heeft is niet te zien. Haar borsten zijn vol en lijken op elk moment gereed om te zogen. Haar heupen, breed en rond, de dijen stevig, goed gevuld. De benen lang, met ranke enkels. Ze draagt de oorringen die ze gisteren ook droeg. De ringen zwaaien met iedere beweging. Haar hele lijf danst. Haar ogen lachen en schitteren in het vroege zonlicht.

Ik kan nauwelijks begrijpen dat we zonder muziek dansen, het ritme is strak en ik heb geen moeite haar te volgen. Het is een stille dans en toch hoor ik voortdurend de muziek die al sinds vannacht in mijn oren bleef hangen. Helena danst en ik dans. Mijn hele lijf danst, het lijkt of de sirtaki bezit van mij heeft genomen. Sneller danst Helena en sneller dans ik. Het ritme wordt opzwepend. Ik lach, voel me gelukkig en kijk naar mooie Helena, haar gitzwarte haren zwaaien rond haar hoofd en haar armen lijken de armen van een octopus. Helena komt dichterbij, ik til haar op en als de wieken van een molen zwaait ze met haar benen voordat ik haar weer op het zand zet. We dansen en raken elkaar aan.

Op het moment dat ik langs haar draai voel ik haar tepels langs mijn borst strijken. We worden geleid door het ritme dat ze met haar handen, haar voeten en haar knippende vingers aangeeft. Ik begin weer warm te worden, mijn hart klopt onstuimig, ik voel dat ik leef op een manier zoals ik niet eerder geleefd heb. De zee, het zand, de zon de lauwe wind en Helena, prachtige moeder. We dansen de sirtaki, sneller en sneller en zelfs met onder haar blote voeten het vochtige zand, is ze in staat snelle draaiingen te maken. Ik kan haar niet meer bijhouden, met een laatste werveling maakt ze een einde aan de dans en steekt haar armen in de lucht.

Ze staat stil, hijgend gaat haar boezem op en neer. Haar volle borsten stralen, haar tepels gloeien. Hijgend staat ze te lachen en laat zich dan plotseling op het zand zakken. Ze lacht nog steeds en ik blijf naar haar staan kijken. Ze steekt haar armen naar me uit.

“Come boy, come to Helena.”

Ik laat me bij de handen pakken en kom naast haar op het zand zitten. Ze legt haar armen om mij heen en kust me terwijl ze zich achterover in het zand laat zakken.

“Helena, come to you on the beach, I know you here. I know you want to meet Afrodite. Now dance with me the real sirtaki and take Helena, take your woman.”

Ik kom naast haar liggen en streel haar lijf. De zachte buik en de prachtige borsten. En als ze aan mij begint te plukken en te trekken rol ik tussen haar benen. Zoeken of tasten is helemaal niet nodig. Helena is wijd open en nat. De eerste bewegingen zijn traag, uitdagend, verleidelijk plagend, ze worden afgewisseld met korte heftige stootjes. Het ritme neemt toe, minder plagerig, heftiger, adem komt met stoten. Haar dijen zijn krachtig, het wordt een strijd, wie stoot het hardst. Helena’s lijf is een en al spieren. Haar borsten trillen, haar heupen stoten. Ik steun op mijn handen en klauw in het vochtige zand. Het wordt een razend tempo en dan terwijl haar ogen onafgebroken op die van mij zijn gericht voel ik de climax naderen. Ze opent haar ogen wijder, ze ziet het komen en dan: “Come now boy, come, come, come!”

Ik zie hoe ze mij in extase aankijkt, haar mond half geopend, haar ogen schitterend.

“Come, come now!”

Voor een laatste maal trek ik me terug en stoot dan met kracht toe. Als een klem waarin ze mij wil vangen slaan haar armen toe. Haar houdgreep drukt mijn lichaam met kracht op dat van haar. Als een explosie groeit een witte vlek in het centrum van mijn hersenen. Een orgasme heeft bezit genomen van mijn geest. De eerste rillingen lijken uit mijn knieën te omhoog te rollen en mijn erectie te krommen. Gespannen is de boog, gespannen maar nog niet afschoten. De pees wacht op een enkele beweging. Een korte stoot voldoet. Mijn spieren spannen zich zodat een aantal krachtige scheuten het dikke zaad haar gretige lijf in sturen. De spastische samentrekkingen houden aan. Ik ben niet bij machte om mij op dat moment uit haar lichaam te trekken. Secondenlang lig ik uit te puffen en als ik op mijn armen steunend, haar aankijk, schieten we beiden in een lach.

“Griekse vrouwen zijn het beste,” las ik ergens, waar weet ik niet meer. Schuddend van het lachen lig ik op haar en kus haar oor of een stukje van haar hals daar in de buurt. Mijn wang raakt het schurende zand. Daarom licht ik mijn hoofd op. Steunend op een arm kijk ik naar de plek waar onze lichamen in elkaar over gaan. Ik stoot een paar keer traag om te testen hoe ze er over denkt. En als ze zegt: “Come, come once more,” dan fluister ik een paar obsceniteiten in haar oor.

“Oh, yes, boy, yes, one more time.”

Deze keer doen we het puur voor het genot. Langzaam, snel, diep, ondiep, net zolang tot ik haar handen in mijn middel voel knijpen. Ze hijgt als na het dansen.

“Helena, you want it, yes?”

“Oh, boy, yes, come.”

 

Klaarkomen in dat, soppende, hete lijf van haar is een vorm van geluk die moeilijk te overtreffen is. Steunend op mijn armen kijk ik in haar ogen terwijl een laatste zaadlozing alle kracht uit mijn lichaam lijkt weg te zuigen. Helena lacht weer, kijkt me aan en blijft liggen met tussen haar dijen mijn uitgeputte lijf. Als ik me naar haar gezicht buig lacht ze opnieuw. Ze streelt mijn, te lange, haar uit mijn gezicht en sluit haar ogen op het moment dat ik haar kus. Ik proef perziken, amandelen, olijven, knoflook, thijm, houtskool, al die geuren die het leven in haar land aangenaam maken. En terwijl ik op de matras van haar rijpe lijf lig te rusten streelt ze dromerig mijn rug.

“I want golden hair baby, like you.”

Omdat ik met mijn kleinburgerlijk Nederlandse opvattingen heel andere dingen belangrijk vind vraag ik: “How about your husband?” Minachtend zegt ze: “Oh, he? He is not my husband.” En dat antwoord heeft betrekking op de man die haar gisteren voortdurend na liep toen we aan het dansen waren. Ik kijk in de richting van de zee in de hoop een glimp op te vangen van die ongrijpbare verschijning die zij Afrodite noemde.

 

© Miel de Sarrassin

 

Post navigation

Gerelateerde verhalen

  8 comments for “Zonsopgang aan de Egeïsche zee.

  1. 30 augustus 2008 at 23:40

    Geen poezie van Perk of Cabanel, maar van Miel. Alle woorden die ik hier zou schrijven zouden in het niet vallen bij deze pure schoonheid. Dank, dank, dank!!! Meer dan drie sterren waard, daarom deze hier van mij. *****

  2. 2 september 2008 at 08:17

    Miel ik haat je. Jij schrijft zo ongelofelijk goed en natuurlijk, dat alle andere verhalen (sorry Fanny, Mindseye, HHN en al die andere steengoeie schrijvers) er een beetje bij in het niet vallen. Zou je niet eens overwegen om, gewoon voor de fun, eens een minder verhaal te willen insturen ????? Walgelijk briljant Miel !!!!


    Q

  3. WB
    4 september 2008 at 09:40

    Alleen al zo'n paar zinnen als: "Héél langzaam begin ik te begrijpen. Héél langzaam dringt het tot mij door. Ze is er zonder reden." Dat is toch een schitterende vondst, tegen het literaire aan?! Miel bereikt nieuwe hoogten op zeeniveau.

  4. 6 september 2008 at 16:10

    Zo zier we ze graag. Lekker dromerig, vaag.
    Enneh, bofkont! Ik krijg van die ouzo altijd alleen maar koppijn.

  5. 6 september 2008 at 17:53

    Heerlijk, Miel. Je proeft de sfeer en de warmte van het griekse strand.
    De integere manier waarop je de lust en het genot omschrijft, is subliem.

  6. 10 september 2008 at 21:12

    Het is prachtig Miel. Gewoon prachtig.

  7. 21 september 2008 at 12:07

    het blijft een genot om jou te mogen lezen !

  8. 27 september 2008 at 14:20

    Miel, je hebt een enorm schrijftalent. Lust en toch schoonheid in een verhaal overbrengen, dat is zo ontzettend moeilijk en dat doe jij zo ontzettend goed. Vier sterren en duizend complimenten!

Geef een reactie